Homepage
    Wat zit er in uw eten?
    Gidsje bestellen
    Nieuws
    Abonnement
    Proefabonnement
    Losse nummers
    Bouillon en France
    Ambassadeur
    Bouillon English
    Boeken
    Totaalpakket
    Wat is bouillon?
    Adverteren
    In de media
    Links
    Contact
    Recepten
   

Tips&Trics


Will twittert

 

   
    NETWERK IN GASTRONOMIE EN GASTVRIJHEID

 

  Award
    Bouillon! wint prestigieuze Award!


  Adresgegevens
   

Correspondentie en redactieadres:
bouillon!
Iepenlaan 55
3723XE Bilthoven
030-2280315


speciaal voor de vrije dagen aan het einde van het jaar een sprookje


Als de dag van toen
tekst Will Jansen

Het is de zoveelste koude dag, met een staalblauwe, wolkenloze hemel. De sneeuw kraakt als je er op loopt. De aanhoudende vorst heeft van het water van de singel een klassieke ijsbaan gemaakt. Op een overdekt bankje in de kromming bij de Watertoren zitten vier oudere heren, twee met pet, twee met muts. Hun adem stoomt bijna gelijkmatig als van een stoomfluit onder het dak vandaan. Het is 24 december 2019, de tiende strenge winter op rij, so much for the global warming.
Een van de mannen leest voor uit een tabloid, gewone kranten bestaan niet meer. De voorlezer heeft een zachte, melodieuze stem.
“Hoe heeft die Jonnie Boer dat dan geflikt, Paul Fagel?” vraagt zijn buurman die met zijn opvallend spitse gezicht en grote oren lijkt op een bloot vleermuisje.
“Gewoon even je kop houden, Sistermans, dan lees ik het voor” Fagel duwt zijn onwillige kuif naar achter.
“Jaja, toe maar, ik wist niet dat je kwaad werd. Altijd dat strenge van jou. Je moet het leven eens leren ne-ne-men zoals het is. Heb ik ook altijd gedaan, en nog.”
“Daarom moesten ze je zeker met tien man politie uit je Wilhelminapark halen,” klinkt het vanuit de hoek. “Je had je aan de kippengrill in de keuken vastgeketend en de sleutel van het slot ingeslikt. En toen nog een keer dreigen dat je van de Domtoren zou springen. Je bent nooit wijs geweest man.”
Fagel, Sistermans en de vierde man, Henk Savelberg, hoornen brilletje en raar petje op het bolle hoofd, kijken verbaasd naar hun in het zwart geklede bankgenoot. Witgrijs, strak gekamd haar, klein en benig gezicht, gouden montuur: alleen al door het lichte Duitse accent bij woorden als wijs (wais) en dreigen (draigen) onmiskenbaar Wulf Engel.
“We dachten dat je zat te slapen, zoals altijd.” Savelberg klopt zijn oude vriend stevig op diens knie. “Zeker te diep in het glaasje gekeken gisteren?”
“Niet zaiken, jongen.”
“Nou, heren, lees ik nog verder wat meneer Boer met zijn Librije heeft gedaan?”
“Ja, ja, laat horen,” piepen de oude mannenstemmen.
“Luister en huiver. De heer Boer heeft zijn hele imperium verkocht, behalve de drie vestigingen in Tokio, Accra en Gothenburg. De opbrengst is via een slingerconstructie naar een bank op de Kaaimaneilanden gesluisd. Daar is het geld, men schat het op 278 miljoen euro, onmiddellijk opgesplitst over diverse rekeningen. Een deel is teruggevonden in de vorm van Griekse staatsobligaties in een kluis van een bank in Gothenburg. Een verder lege bv had de kluis gehuurd. Op die papieren is beslag gelegd. Een ander deel is achterhaald in San Sebastian, waar het onderpand was voor de financiering van een onroerendgoed project. Dat project bestaat niet, dus dat geld wordt als verdwenen beschouwd. Een paar miljoen is overgemaakt naar de Nederlandse Belastingdienst en het grootste gedeelte is enige tijd geleden vanuit de Kaaimaneilanden weer naar andere 27 verschillende bankrekeningen getransporteerd. Vreemd is dat op de Kaaimanbankrekening nog steeds miljoenen binnenkomen. Alle geldbewegingen worden door de moneysquad van Justitie nauwlettend gevolgd. De heer Boer is voor commentaar niet bereikbaar. Zijn kapitale villa in Giethoorn staat al een tijd te koop. Zijn beide kinderen zitten nog altijd in Gstaad op de Hotelschool en zijn voormalige echtgenote, Thérèse Tausch, hangt vanuit haar driekamerflatje in Kampen gevraagd en ongevraagd de vuile was buiten. Het is allang bekend dat enzovoort enzovoort.”
Fagel stopt en zegt: “Toch een mooie man, die Jonnie. Die ligt natuurlijk ergens op de Seychellen met zijn buik omhoog. Hij wel, wij niet.”
De mannen giechelen in koor hun oude-mannen-giechels.
“Maar jij hebt dat Arsenaal van jou toch ook goed verkocht, destijds, Paul?”
Sistermans stoot Savelberg aan, hij weet dat hij bij wijze van spreken op Fagels eksteroog staat. Savelberg duwt de stotende elleboog driftig weg.
“Ik? Welnee, ben je gek, man. Die Jan de Bouvries heeft me een gigantisch oor aangenaaid. Ik dacht dat ik het restaurant goed verkocht had aan de jongens van de Ron Blaauw-groep, maar toen puntje bij Paultje kwam, bleek ik akkoord te hebben getekend voor een lease-constructie, die me tot op heden alleen maar kopzorgen gekost heeft en geld.”
“Want Des Bouvrie had Blaauw achter jouw rug om het hele Arsenaalcomplex toch al toegezegd? Dus dat je jouw tent eigenlijk aan je huisbaas verkocht?”
“Ja, dat zeggen ze. Maar dat klopt niet. Het was niet eens meer van Des Bouvrie, maar van iemand uit de kringen van de weduwe Endstra, of mevrouw Den Blijker zoals ze tegenwoordig heet. Het hele Arsenaal-complex staat nu propvol met door de bank teruggenomen campers. Sinds de tweede crisis in 2015 kan bijna niemand zijn verplichtingen nog nakomen. Maar dat hou je toch als je euro plotseling nog maar de helft waard is.”
“Maar goed dat je met Shirley je eigen restaurantje begonnen bent, toen. Loopt
dat nog een beetje daaro in Vreeland aan de vecht?”
“Jezus, Sistermans, je denkt toch niet dat ik dag in dag uit achter dat Moltenikacheltje sta? Als we twee keer per maand eters hebben, zijn we spekkoopman. Het is goed dat Shirl nog wat geld geërfd heeft.”
Het is een tijd stil. Savelberg poets zijn bril en hoort God brommen.
“Ik ben er nog steeds niet uit,” zegt hij moeizaam, “en ik verwacht niet dat dat ooit gebeurt. Ik dacht dat ik goed zat met mijn bv-tjes. Toen ik de boel wou verkopen, kwam de Belasting al op voorhand de hand ophouden. Ik kon in 2013 voor heel Vreugd en Rust, inclusief onroerend goed, 30 miljoen vangen. Mocht ik alvast de helft aan die uitzuigers afdragen. Ik heb nog geprobeerd het over te doen aan een van mijn kinderen?”
Sistermans buigt naar voren met opgeheven vinger, alsof hij een publiek gehoor toespreekt: “Een van zijn geadopteerde kinderen, bedoelt-ie, en daar trapt de Belasting niet meer in sinds de adoptiekinderen die Jopie Braakhekke ineens bleek te hebben toen hij zijn Garage verkocht had aan Bert van der Leden van de Supperclub. Toen ging hij voor de belasting een deel van de opbrengst zogenaamd onder zijn kinderen verdelen. Haalt-ie plotseling vier zwarte adoptiekindertjes uit een hoge hoed.”
Savelberg kijkt verstoord in de grijze kraaloogjes van Sistermans en maakt zijn verhaal af: “Maar die kids van mij hadden geen belangstelling. De Belasting wil nu nog steeds niet geloven dat ik toen de deur doodgewoon dicht heb gedaan en eist nog altijd dat geld op. Inclusief rente, kosten en boetes is het al opgelopen tot 22 miljoen. Vreugd en Rust is inmiddels een uitvaartcentrum, daar is mijn eigen Diane mee begonnen. Dus wat willen die lui nou? Zijn ze gek geworden of zo?”
Sistermans staat op en spreidt zijn armen: “De Belasting? Die is nog erger dan de guillotine uit de Franse Revolutie. Mij hebben ze mijn Wilhelminapark
afgepakt toen ik na jaren van hannesen zelfs mijn eigen flatje in Amersfoort niet meer kon betalen. En ik dacht dat ik het voor elkaar had. Wilhelminapark verhuurd aan de NS en het restaurant verkocht aan Mandy de Jong. Maar die ging er ineens vandoor met de schoonzoon van Robert ten Brink en liet mij met een leeggelopen restaurant achter. Ze was toen al dik vijftig en vijftien jaar ouder dan die gozer, maar ja, je weet hoe de vrouwtjes zijn, tegenwoordig.”
“Nou, nou, nou,” zegt Fagel bedachtzaam. “Toen jij Wilhelminapark aan Mandy verkocht, zat er toch geen mens meer. Je probeerde haar een kat in de zak te verkopen, dus niet mauwen, Jon.”
Fagel en Savelberg blazen grote wolken warmte in hun handschoenen.
“Goedemiddag, heren van het goede leven.”


Ze kijken alle vier op naar een krasse leeftijdgenoot, die met een sierlijk sprongetje van zijn stepfiets afkomt en in de krakende sneeuw een kleine buiging maakt. Een volle bos donkergrijs haar is het eerste wat opvalt. Dan staat hij recht: John Halvemaan. In puike conditie zo te zien. Zijn vroegere collega’s weten dat hij zijn restaurant in Buitenveldert goed heeft verkocht, in 2011 al, en dat hij daarna voor een verzorgingstehuis in Weesp is gaan koken. Halvemaan lijkt nog in de kracht van zijn leven.
“Jezus, John, hoe speel je het klaar?” zegt Savelberg over zijn brilletje
heen kijkend. “Heb je een verjongingskuur ondergaan?”
“Nee, beste man, gewoon dagelijks yoga, veel rijst eten, van je vrouw houden en iedere dag als geschenk aanvaarden.”
“Godskolere nog aan toe, Halvemaan, wat kan jai leuteren.” Wulf Engel is
weer wakker. Hij rilt van de kou.
“Nee, Wulf, het klopt als een bus. Ik heb een mooi leven. Het geld van het restaurant heb ik in een Vietnamees weeshuis gestopt, samen met Julius
Jaspers, die helaas overleden is en verder red ik me prima met mijn Esthertje.”
“Ik ga naar huis”, bromt Engel moikkend. “Ik word misselijk.” Hij staat op en maakt zich verrassend snel uit de voeten, al glijdt hij bijna uit over een tot ijs geplette sneeuwrichel.
“Je moet bij jezelf blijven en niet dagdromen,” predikt Halvemaan voort.
“Denk aan vroeger. Jij ook Paul, en jij, Henk. Vroeger kon je geluk ook niet kopen. Jullie hebben alledrie naast de poet gegrepen. Je hele leven hard
gewerkt en toen het op oogsten aankwam, was het geld plotseling niks meer waard. Te laat wakker geworden. Toen ik mijn tent achter me liet, had ik mijn hele ouwe dag al gladgestreken, maar niet zonder te blijven koken. Dat is mijn redding geweest. Ik heb gehandeld toen geluk nog heel gewoon was. Ik hoef geen tranen in mijn ogen te krijgen als ik dat ouwelulleliedje van ‘Als de dag van toen’ hoor. Donderop, pluk de dag, zeg ik dan…”
Halvemaan kijkt om zich heen. Zijn gehoor is stilletjes verdwenen. Bij de halte van de sneltram ziet hij nog net hoe Sistermans naar binnen geholpen wordt door een mooie jongedame.
Lachend stapt hij op zijn step en rijdt weg. “Vooral niet naar mij luisteren, nee. Toen niet en nu niet”

Alle vijf de heren hadden in hun bloeitijd, van pakweg 1990 tot 2010, een gerenommeerd restaurant of waren er chef-kok, zoals Wulf Engel in De Hoefslag in Bosch en Duin, toen met twee sterren. Paul Fagel was eigenaar van het Arsenaal in Naarden Vesting. Jon Sistermans, bekend geworden van de Kersentuin, was eigenaar van Wilhelminapark in Utrecht. Henk Savelberg eigenaar van Vreugd & Rust in Voorburg en John Halvemaan van het gelijknamige restaurant Halvemaan in Amsterdam Buitenveldert.