Coverfoto gemaakt door Rahi Rezvani,
Een jonge fotograaf uit Iran. Onder de hoede van
Pieter Ouddeken ontwikkelt hij zich tot een veelbelovend
fotograaf. Het is een spannende tijd voor hem,
omdat niet zeker is of hij in Nederland mag blijven.
Bouillon! plaatst regelmatig foto´s van
hem, in een poging zijn verblijf in Nederland
mogelijker te maken.
Inhoud
Het venijn zit in de staart
tekst Alwin van Ee, afbeelding schilderij De
Kunstfabriek
Winnaar schrijfwedstrijd 2005/2006
Geen tweede keer opscheppen als je aan de lijn wilt
doen! Weer zon advies waar Merel zich nooit
iets van aantrok. Ze genoot van de afhaalmaaltijd
die haar nog geen vijf euro had gekost. Daar kon
je het zelf niet voor maken! Ze zat met een bord
op haar brede schoot, diep weggezakt in de zitbank.
De tv stond aan. Een actualiteitenrubriek behandelde
een item over de Duitse taal. Bijna niemand in Nederland
was die nog machtig, luidde de stelling. Een man
sprak over handelsbetrekkingen met Duitsland en
een congres voor docenten Duits. Ze hevelde nog
een flinke pluk bami uit het plastic bakje over
naar haar bord. Opeens viel haar mond open van verbazing.
Maar... maar... die man ken ik! riep
ze, ook al kon niemand haar horen. Ze veerde op,
waardoor het bord van haar schoot gleed. Klodders
zoetzure saus vielen op haar gympen en een gemberballetje
rolde over het mottige tapijt. Ze vloekte.
Koken is geen hobby
tekst Marjoleine de Vos, illustratie Pike
Zouden tuiniers dat nu ook hebben, vraag ik
me wel eens af, die aandrang om iets waarover ze
lezen meteen te gaan doen? Zouden ze denken: ja,
ik ga meteen dat zaad bestellen, ik ga nu snoeien,
ik ga stekken en uitplanten net zoals ik
zelf als ik sommige vissen op de markt zie liggen
of over lamsschouder met niertjes lees, meteen denk:
ja, dat ga ik klaarmaken! Die lust tot actie. Ik
kan me eigenlijk niet voorstellen dat er een andere
bezigheid bestaat die je zo vaak en steeds weer
prikkelt om aan de slag te gaan. Koken is zoveel
rijker dan alle ander geneugten. Natuurlijk zal
het fijn zijn om de geur van de aarde te ruiken
in de tuin, maar je kunt aan die geur verder niets
veranderen. Neem ik daarentegen een pan, dan ruikt
het meteen al anders als ik er boter in smelt dan
wanneer ik er olijfolie in verhit. En dat is alleen
nog maar het vet. Dan praat ik nog niet over de
geur van uitgebakken spek, de geur van uitgebakken
spek met uien, de geur van rundvlees gebraden in
vet waarin spek en uien gebakken zijn
Een
roos ruikt heerlijk maar er is verder niets mee
te doen.
Hoewel ik heb wel eens gefrituurde roos gegeten.
Hij was even in een beslagje gedoopt en toen gefrituurd
en bestrooid met poedersuiker. Heel mooi, en heel
bloemig. Maar dan zijn we al bijna in de moestuin
en dan is het tuinieren alleen maar voorwaarde geworden
voor toch weer koken. En men hoeft als kok tenslotte
ook niet te concurreren met hobbys zoals daar
zijn vissen en puzzelen en breien en het sleutelen
aan oude motoren, want koken is geen hobby. Ik vind
het althans niks als men er dat woord voor gebruikt.
Koken is niet vrijblijvend. Koken moet, koken is
onmisbaar en eeuwig en heeft niets met tijdverdrijf
te maken.
Toques et Clochers maakt tongen los
tekst Will Jansen, foto Sioen/Will Jansen
Ieder jaar in het weekeind van Palmpasen stappen
vijftig bedevaartgangers in Rotterdam op het vliegtuig;
laten zich naar Carcasonne brengen, diep in het
Zuid-Westen van Frankrijk, en zetten eenmaal aangekomen
op het grote feest van de Toques et Clochers,
de koers blind op wijn, dansen en zingen. Dit
jaar blonk het schitterende spiraaldorp La Digne
d'Aval uit met een gastvrij onthaal.
Toques et Clochers, spreek uit tokkus ee klosjee,
is een wijnfeest opgebouwd rond de veiling van
de beste wijnen van de 2005-oogst van AOC Limoux.
Limoux ligt een kilometer of twintig onder de
fascinerende vestingstad Carcasonne. Elk van de
veertig dorpen die bij deze AOC zijn aangesloten,
stuurt zijn beste tien vaten (225) ter veiling.
De opbrengst is bedoeld voor de restauratie van
de klokkentoren van het gastdorp, in 2006 La Digne
d'Aval. Elk dorp heeft zo'n toren, al dan niet
gekoppeld aan een kerk. Die torens, de kastelen
der Katharen, het glooiende landschap en de immer
waaiende wind, vormen het schitterende decor van
deze hoek tussen de Pyreneeën en de Middellandse
Zee.
Om vijf uur zaterdagmiddag zegent de bisschop
het wijnfeest en stromen de smalle straatjes van
het dorpje vol. Pakvol. Normaal wonen er 450 man,
nu drukken zich duizenden gasten als een worst
tussen de kalkstenen muren. Er wordt gedanst,
gedronken, veel gedronken en gegeten. Hier oesters
en mosselen, daar gegrilde worst of kalfsvlees,
verderop eendenlever met appel en om de hoek kip
met frieten of appeltaart met armagnac. Niet duur
en best lekker. Om de vijftig meter is er weer
een wijnkelder waar je voor bescheiden bedragen
plastic schenkbekers koopt met een van de wijnen
van de Limoux. De wijnboeren aldaar maken een
Chardonnays waar ze in Bourgogne jaloers op zijn.
Ze kennen vier varianten: d'Autan, Mediterranéen
(met een klein prikkeltje), Haute-Vallée
(lichter en frisser) en de Océanique met
het aroma van pas gevallen regen. De rode wijnen
van de Sieur d'Arques mogen er sinds een tiental
jaren ook zijn, want ze halen grote prijzen weg
over al in Frankrijk.
Gebakken nationale trots
tekst: Margot Vanderstraeten, foto IJssalon Van
Hecke
Als je niet goed oplet, en de uitlaatgassen
van de stadsbussen de zoete geur van het vers
gebakken deeg en de vanillestokjes overstijgen,
wandel je er zo aan voorbij. Aan dat kleine maar
een eeuw oude etablissement in de Antwerpse Nationalestraat.
Tussen de modieuze Amerikaanse ijsgigant Ben en
Jerry's en de tientallen trendy modezaken die
op deze as als paddenstoelen uit de grond schieten,
is IJssalon Van Hecke een anachronisme. Achter
de bescheiden gevel gaat een oubollig theehuis
schuil. Op de tafeltjes liggen oudroze tafelkleedjes;
de stoelen lijken uit een streng klooster geplukt,
de wanden zijn opgefleurd met vergeelde zwartwitfoto's
die afkomstig zijn uit een Antwerps fenomeen van
enkele straten verder, het Dagbladmuseum.
Smaakorgasmes van Carles
tekst Daphne Aalders, fotos Carles Tejedor
Ik ontmoet de Catalaan Carles Tejedor in feestzaal
Hof ten Damme te Kallo, een piepklein
Scheldedorpje nabij Antwerpen. Hij is er terechtgekomen
op uitnodiging van Rudi Van Beylen, eigenaar en
chef van genoemd etablissement. Ook al kookt Rudi
voornamelijk voor grote feesten en partijen, het
belet hem geenszins zeer gepassioneerd met zijn
vak bezig te zijn. Hij richt thema-avonden in
om nog nadrukkelijker zijn gastronomisch ei te
leggen en voor de Catalaanse avond heeft hij eenvoudigweg
een heel Catalaans team uitgenodigd.
Rudi is regelmatig te vinden in het laboratorium
van Ferran Adrià en de kennis die hij daar
op doet, integreert hij in zijn eigen kookstijl.
Wie ook regelmatig in Adriàs laboratorium
te vinden is, is Carles. Carles is chef bij Ristol.
Ristol is een complex van bedrijven dat naast
een gastronomisch restaurant, een cateringbedrijf,
slager en traiteur herbergt. En meer.
In Hof ten Damme introduceert Carles
en zijn team de nieuwe Catalaanse keuken. Hij
doet dat door steeds een proeverrijtje van een
klassiek gerecht te geven, gevolgd door een hedendaagse
interpretatie. Dat wat de revue passeert is indrukwekkend.
Het concept is doordacht. Een buitenlander de
nieuwe Catalaanse keuken leren, zonder dat hij
van de basis op de hoogte is, zou niet hebben
gewerkt. Je eet dan wel goed, maar snapt de essentie
niet. Want de weg die het klassieke stoofpotje
van varkensvlees en paddestoelen naar de confit
van varkenswang met espuma van truffel heeft afgelegd,
is lang. Net zo lang als de weg van het klassieke
choup choup, een gekookt stuk kabeljauw
in een dikke prut van erwten tot het in geparfumeerde
olie gegaarde stukje kabeljauw met een nog bijna
rauwe consistentie in een coulis van erwtjes met
erwtenballetjes. Dit laatste is een
trendy balletje gemaakt van erwtensap, geïnjecteerd
en gestold in een badje met algen waardoor je
een nog krachtiger erwtensmaak beleeft dan wanneer
je het pure erwtje zou hebben gedegusteerd.
Het zwarte water
Tekst: Janneke Vreugdenhil, fotos Golden
Coffee Box
Ik ben voor een crash-course koffieproeven bij
een van de grootste koffiekenners van Nederland.
Het was de vader Jacob Boot die in de jaren zeventig
het koperen koffierooster- machientje uitvond.
Hij wilde zijn koffiebonen op het laatste moment
kunnen roosteren; versgeroosterde bonen geven
immers de lekkerste koffie. Zijn ouders zaten
in de koffie, zijn broer zit in de koffie en Barend
zelf zit er met zijn Baarnse winkel en koffiebranderij
The Golden Coffee Box, tot over zijn oren in.
Hij biedt me een cappuccino aan. Is dat niet vloeken
in de koffiekerk? Welnee, vindt Barend,
wie van cappuccino houdt, heeft ook recht
op lekkere koffie en deze Panamaria is er heel
geschikt voor. Ik neem een slok. Het melkschuim
is dik, romig en warm maar net iets minder heet
dan de koffie die ik erdoorheen drink. Prima cappuccinootje,
maar wie ben ik om dat te beoordelen?
Meester en gezel in haring
Tekst Babette Verbeek
Het kan geen toeval zijn dat naast onze nationale
schatkamer, het Rijksmuseum, de haringkraam van
vader en zoon Van Altena staat. Al twintig jaar
staat Van Altena senior hier. Een ereplek
vindt hij. Bezoekers van het museum, toeristen,
vaste klanten en toevallige passanten komen hier
om één van de peilers van onze beschaving
in hun keel te laten glijden. De Van Altenaatjes,
zoals Pieter Cornelis en Bart zichzelf noemen,
waken met vakmanschap over de kwaliteit van hun
waar. De liefde voor haring zit in t bloed.
Al generaties lang wordt de kennis van deze Markense
familie van vader op zoon doorgegeven. Vader van
Altena: Mijn grootvader was kuiper en maakte
haringvaatjes en pa liep met een haringkar door
Rotterdam. Het wiegje van Bart stond zelfs in
mijn winkel.
Hollanders en haring, al eeuwenlang genieten we
ervan. Ik ook, zolang als ik me kan herinneren.
Toch raak ik soms verschrikkelijk teleurgesteld.
In plaats van een naar zee smakende en ruikende
haring, stevig en toch zacht, blijkt het voorgeschotelde
een week, stinkend vissenlijk te zijn. Van mijn
eerste Van Altena haring werd ik heel gelukkig
en van alle Van Altena haringen die daarop volgden
ook. Ik werd nieuwsgierig en zou en moest de oorzaak
kennen: Hoe kan dat nou? Van Altena
gaf na enige aarzeling uitsluitsel, verpakt in
opmerkingen over bedrijfsgeheimen en boze vishandelaren.
De citroenboontjes van Jaap Smak
Tekst Diny Schouten, fotos David van Dijk
Overal ter wereld, in elke streek, blieven
ze hun eigen boontjes, want in elke klimaatzone
- koel, matig tot zeer heet - kunnen bonen worden
geteeld. Het zijn niet overal dezelfde, want de
rijpingstijd die ze nodig hebben verschilt. Lang
niet alle bonen kun je met huid en haar
eten, dat wil zeggen dat er soorten zijn waarvan
de peul hard en scherp is. De Voorzienigheid,
die voor etensvoorraad in schrale tijden zorgt,
richtte het zo in dat juist bonen met een harde
schaal zich het beste laten drogen.
Wat dat betreft is de moderne gemaksuitvinding
van de draadloze boon geen verbetering van het
ontwerp. Die is als droge kookboon minder geschikt,
maar gaat nogal eens door voor conserveboon als
de oogsten ergens ter wereld overvloedig zijn
geweest.
Wat meer culinair begrip voor alle smaaknuances
van het nederige, maar zo eiwitrijke gedroogde
kookboontje zou ons niet slecht staan. Hoeveel
rijker worden we ervan dat tegenwoordig al onze
boontjes in verre, warme-maar-arme landen worden
vermeerderd? Door de conservenindustrie zijn de
smaakverschillen tussen onze eigen variëteiten
weggevaagd. We hebben zelfs geen genenbank meer
die hun oorspronkelijke smaak bewaart.
De smaak van een mals en vlezig boontje doet aan
roomboter, aan kastanjes, aan asperges en ook
wel aan noten denken: hemels en aards tegelijk.
Die aardse smaak, te danken aan mineralen, geldt
uiteraard voor alle vruchtgewassen. Altijd, als
je antwoord zoekt op het raadsel van wat smaak
inhoudt, stuit je letterlijk op de bodem. Van
plaats tot plaats verschilt de grondsoort: klei,
veen of zand. Wat telt is ook het klimaat: in
Nederland is een ligging dicht bij zee het gunstigst
voor de bonenteelt, de harde wind waait de lucht
er gauw droog en schoon.
Wat heet typisch?
Over de (on)zin van traditie en terroir
Tekst René van Heusden
Het is de Vraag der Vragen in wijnland: hoe definieer
je het begrip 'typisch'? Zoals in 'een typische
bordeaux' of in 'een typische bourgogne.
Of in 'een typische stalgeur' en, in ultieme vorm,
'een typische terroirtoon. Typiciteit wordt,
in gunstige gevallen althans, bepaald door druivenrassen,
bijzondere natuurlijke omstandigheden en specifieke
keldertechnieken. In minder gunstige gevallen
worden fouten en tekortkomingen tot typisch verheven.
De bezweringsformule hierbij is het net even iets
te nadrukkelijk melding maken van 'terroir' en
'traditie.
Grote woorden, maar niet altijd vlaggen die de
lading dekken. Goede wijn ontstaat in de wijngaard,
zo heet het, en dat cliché is in essentie
nog juist ook. Wijnbereiding kan niets wezenlijks
aan kwaliteit toevoegen, wel heel veel daaraan
afdoen. Met andere woorden, zonder goede basiskeldertechniek
- lees vooral: hygiëne! - hebben noch terroir
noch traditie veel te betekenen, ongeacht wat
die immer 'sympatieke' en 'gepassioneerde' producent
ons ook mag zeggen. Bovendien staan de meeste
wijnstokken op plaatsen die hooguit voldoen voor
het maken van acceptabele wijn. Wat iets anders
is dan bijzondere. Gezond wantrouwen is geboden!
Zijn wij de snackschaamte voorbij?
Tekst Ubel Zuiderveld, Fotos UZ Media
De Nederlander heeft een haatliefde verhouding
met nationale gerechten als boerenkool, hutspot
en klapstuk. Het meest lijken we ons echter te
schamen voor de vaderlandse frituurkeuken. Een
verhaal over vettige lusten en snackschaamte.
Fricadellen, je kunt er heerlijk van genieten,
als meid krijg je een snor en als jongen krijg
je tieten.
De frituur is onlosmakelijk met ons verbonden.
Een groot deel van de huishoudens heeft zijn min
of meer vaste friet- en snackdag. Toch zul je
zelden een burger van ons platte land gloedvol
horen spreken van de frikandel speciaal, de patat
oorlog en de kroket met mosterd. Nee, liever vernederen
we dit culinaire erfgoed. We doen het collectief
af als vettige vunzigheid met begrippen als berenlul
en neukpatroon (kroket). Wij Nederlanders weten
niet goed weg met onze periodiek gevoelde voorliefde
voor maagvulling uit 180 graden warm vet. Heel
verwonderlijk is dit niet, want generaties lang
zijn wij overladen met schuldgevoel voor alles
wat riekt naar lust. Dit geldt in het bijzonder
voor de gebiedsdelen waar dominees fel van de
kansel preken en het mag geen verwondering wekken
dat in het roomse zuiden de frituren van oudsher
veel meer hoogtij vieren.
Hop scheutje hop
tekst en foto Sándor Schiferli
Hop is een lange kruidachtige klimplant die vanwege
de hopbel verbouwd wordt voor de bierbereiding.
Deze bolvormige vruchten geven het bier de ons
bekende aangename bittere smaak, bevorderen de
schuimvorming en zorgen voor een conserverende
werking. Dat de plant tot de familie der hennepachtigen
behoort, is een tot de verbeelding sprekende bijkomstigheid.
Voor de bierbereiding zijn bij deze tweeslachtige
plant uitsluitend de vrouwelijke exemplaren nuttig.
De mannetjesplanten worden op het veld geweerd,
omdat bevruchte hop vetten en oliën in de
zaadjes veroorzaakt. Elke bierdrinker weet wat
dat betekent. Vet is de pest voor een lekker biertje
met een mooie schuimkraag.
De hop is een tere plant die hoge eisen stelt
aan de zonintensiteit. Hij wordt daarom ook alleen
maar geteeld op een beperkte breedtegraad. In
Europa is dat Kent, België, Beieren, Tsjechië.
In Japan en China groeien verschillende soorten
hop in het wild en daarom wordt aangenomen dat
deze Humulusfamilie door Aziatische hordes in
het grijze verleden naar het westen van Europa
is gebracht. De Romeinse historicus Plinius schreef
al over hop, als een plant die zich wild slingert
rond wilgenbomen als een wolf tussen de
schapen. Vandaar waarschijnlijk dat de Latijnse
naam voor hop Humulus Lupulus is, wat wolfplant
betekent. Het is wel even grappig om te vermelden
dat door de eeuwen heen artsen hop voorschreven
als een uitstekend plasmiddel, een middel dat
werkt tegen nier- en blaasstenen, als een licht
laxeermiddel en vooral goed tegen te vroeg klaarkomen.
En voordat de slaappillen waren uitgevonden, vulde
men kussens met hop om sneller in slaap te vallen.
Dus dan weet je wat er allemaal kan gebeuren als
je te veel bier drinkt
Overpeinzingen
tekst Ab Bos
winnaar 2e prijs verhalenwedstrijd 2005/2006
Innerlijke strijd, gevecht tussen culturen,
botsingen van smaken. Hoe breng ik orde in mijn
smaakherinnering? Kan ik al die smaken, geuren,
associaties en impressies rangschikken? Kook ik
wel zuiver? Of, is mijn culinaire uiting een mix,
het beste van twee werelden, of slechts een ratjetoe,
uitsluitend door mijzelf begrepen? Al jaren worstel
ik met deze vragen.
Ik zie de tafel nog voor mij. Nog geen vier jaar
oud en bedwelmd door de geuren van de kleurige schotels
met onbekende gerechten. Ik ben gefascineerd. De
bonte mix van jaren vijftig porselein, schalen uit
Java en bestek van Jokja zilver en plastic. Het
mooie tafellaken, de papieren servetjes. Mijn overgrootmoeder
die rond de tafel danst en af en toe iets van de
schalen pikt: Adoe, lekker Meis. Lang niet
gegeten.
Arabische invloed op Europese keuken
1001 Koks is een politiek boek
Tekst en foto Anda Schippers
Oogkleppen vind je overal. Ook bij gerenommeerde
culinaire schrijvers. Want als het gaat over de
herkomst van gerechten, wordt de invloed van de
Arabische eetcultuur stelselmatig genegeerd. Schrijver
en culinair vertaler Jacques Meerman geeft tegengas
met zijn boek 1001 Koks. Over de Arabische invloed
op de Europese keuken.
Ruim tien jaar geleden heb ik een kookboekje
geschreven over kleine hapjes uit de mediterrane
keuken. Het viel me toen op dat een paar gerechtjes
kenmerkend waren voor alle landen die ooit islamitisch
waren geweest: Griekenland, het Midden-Oosten,
Noord-Afrika en Spanje. Een van die gerechtjes
was sateh. Ik had wel eens een soort sateh gegeten
langs de weg in Oost-Afrika, en ik wist dat Indonesische
koks het een Arabisch gerecht noemen, dus ik ging
ervan uit dat er een soort verband was tussen
de islamitische invloed en de verspreiding van
sateh in enigerlei vorm. Dat wil zeggen kleine
stukjes vlees, gemarineerd, aan een stokje en
liefst geroosterd. Nou, dat heb je in Turkije,
in Griekenland, in Marokko, in Spanje. Kennelijk
is er een eenheid in dat Middellandse-Zeegebied,
dat heel nadrukkelijk ook het Midden-Oosten en
Noord-Afrika omvat dat zijn geen gescheiden
werelden. Ik kreeg toen La cuisine Andalouse van
Lucie Bolens in handen, een boek over de geschiedenis
van de Andalusische keuken, met veel recepten
erin. Langzaamaan begon het tot me door te dringen
dat het over hele doodnormale dingen ging die
we nog steeds dagelijks in de keuken tegenkomen.
Maar dat heeft niemand ooit eerder geconstateerd.
Massimo Montanari bijvoorbeeld noemt in zijn werk
Honger en overvloed ook La cuisine Andalouse in
zijn literatuurlijst. Op een gegeven moment schrijft
hij over middeleeuwse Italiaanse pasteien, zónder
te vermelden dat het in La cuisine Andalouse stikt
van de pasteigerechten. En het middeleeuwse Italië
en Spanje liggen heel dicht bij elkaar. Je mag
je dan toch wel afvragen of er een verband bestaat?
Dat doet dus niemand. Die Montanari is niet de
eerste de beste, en die doet dat ook niet. Dat
vind ik heel raar.
Game, Set, Martin Air!
Tekst Will Jansen, fotos Martinair Party
Service en Will Jansen
Het VIP dorp van het ABN Amro World Tennis
Tournament in Rotterdam is ieder jaar een van
de meest aansprekende sportlocaties om je netwerk
op te poetsen. Tennis is geen bijzaak maar wel
kapstok. Zes dagen achtereen komen er zon
zevenduizend mensen per dag, ook met zakelijke
bedoelingen, naar het sportpaleis in Rotterdam.
Eten en drinken hoort bij dat netwerken. Terwijl
de kleine en grote tennissterren zich uitsloven
op het astroturf, verzorgt Martinair Party Service
elke dag als een soepel draaiende machine zon
3000 maaltijden en uitgebreide buffetten. En in
de diverse Grand Slam cafés vliegen bij
wijze van spreken eerder de bitterballen dan de
tennisballen je om de oren en zijn de porties
saté erg populair. Keukenmanager Hein van
Stralen laat bouillon! zien wat er achter de coulissen
allemaal op zijn brigades afkomt.
Vloeibaar goud
Tekst Joost Scholten, fotos Maria Wieltsch
Aan de basis van het koken is een stille revolutie
gaande. Nederland, ooit het land van boter en
margarine, is inmiddels massaal aan de olijfolie.
Maar olie wordt niet alleen van olijven gemaakt.
Een tweeluik over het vloeibare goud met ware
specialisten aan het woord.
Ze woont sinds vijftien jaar in Nederland, maar
haar prachtige Duitse tongval verraadt dat haar
wortels liggen in het zuiden van Oostenrijk. Vaak
komt Maria Wieltsch (35) terug in de streek waar
ze is opgegroeid, maar ze reist ook naar Zuid-Spanje,
Marokko en Iran. Ze selecteert er de beste van
de speciale ingrediënten die door Oostenrijkse
olieboeren op ambachtelijke wijze worden geperst
en verwerkt om ze in Nederland aan de man te brengen.
Pompoenpitten-, pistachenoten-, aardamandel- of
druivenpittenolie, vele Nederlandse chef-koks
zweren bij de Urprodukte van Maria
Wieltsch.
Proeven van Kunst regelrechte hit
Tekst Will Jansen, fotos Schoonhoven Keramiek
Niet voor niets heeft Proeven van Kunst de
Horeca Innovatieprijs 2006 gewonnen. Sinds de
start in Breda heeft dit culturele culinaire evenement
in amper twee jaar tijd een grootse reputatie
opgebouwd. Tilburg en omstreken, Den Haag, Den
Bosch, Arnhem en Groningen hebben het eten- en
kunstproject al omarmd. Amsterdam, Rotterdam,
Maastricht, Antwerpen en Keulen zijn er net aan
begonnen. Nijmegen, Venlo, Zwolle, Enschede, Eindhoven,
Utrecht en Brussel staan nog op de rol voor dit
jaar. Waarschijnlijk is ook dat straks nog veel
meer buitenlandse steden zullen aanknopen.
In principe is het zo geregeld dat een aantal
regionale of plaatselijke kunstenaars voor een
aantal (top)restaurants een onderbord ontwerpen.
Dat bord maakt deel uit van het Proeven van Kunst-menu
waarbij de gast niet alleen geniet van een vier
gangen menu, maar ook eigenaar van het onderbord
wordt. Niemand houdt je tegen wanneer je bij alle
restaurants aanschuift. Sterker nog, in Tilburg
bijvoorbeeld, is er op 23 september een ruilbeurs.
Je eet toch nooit op je eentje, dus wie de borden
dubbel heeft, kan ze net zo makkelijk gaan ruilen
om daarmee een opmerkelijke verzameling aan te
leggen. Doe je alle steden aan, dan moet je beschikken
over een grote maag en een ruime portemonnee,
want je bent daarmee toch gauw een milletje of
twintig kwijt. Maar het kan een uitdaging zijn.
Katja Gruijters ontwerpt eten
Tekst: Karin Vaneker
Rechte rookworsten verkopen niet en aan leverworst
valt weinig te ontwerpen. Toch is Katja Gruijters
(1970) de enige Nederlandse designer die haar
loopbaan bij een fabrikant van leverworsten begon.
Hoe wordt iemand ontwerper van eten ofwel fooddesigner?
Zijn daar opleidingen voor? Gaat het bij fooddesign
anders toe dan bij het ontwerpen van een stoel?
'In 1998 ben ik als ontwerper aan de Design Academy
in Eindhoven afgestudeerd. Voor mijn eindexamen
heb ik een serie producten ontworpen die waren
geïnspireerd op kant, zeg maar kant van de
andere kant, daar hoorden onder andere een serie
betonnen stoeptegels met een kantpatroon bij.
Een tijdje terug zijn die in het Museum Boijmans-van
Beuningen in Rotterdam geëxposeerd. Voor
die expositie heb ik een chocolade versie van
die tegels gemaakt, vervolgens de Bijenkorf benaderd
en sinds 17 april worden ze daar nu in melk, puur
en witte chocola verkocht. Een ander onderdeel
van mijn afstudeerproject was een serie ontwerpen
voor vleesvervangende producten. De gekke koeienziekte
en varkenspest waren op dat moment actueel en
nadat ik in de Volkskrant een artikel van Wouter
Klootwijk over vleesvervangers had gelezen, dacht
ik, daar moet ik iets mee doen. Bovendien kwam
ik net terug van een stage in Parijs, waar ik
erg gecharmeerd was geraakt van de aandacht die
Fransen hebben voor eten. Die lijkt in niets op
onze broodtrommelcultuur. Met de lunch gaan de
stoelen en tafels naar buiten, en komt er echt
eten op tafel, glaasje wijn erbij
Dat was
een eye-opener die me, bij terugkomst in Nederland,
aan het denken heeft gezet. Door die ervaring
ben ik anders naar onze eetcultuur gaan kijken.
Intussen is het aanbod van vleesvervangers in
de supermarkt gegroeid, maar acht jaar geleden
was er niet zoveel te koop. Ja, van die nephamburgers
met zogenaamde grillstrepen. Vleesvervangers moesten
vooral op echt vlees lijken. En nog steeds, als
ik naar het aanbod in de supermarkt kijk, zie
ik stom genoeg dat de meeste vleesvervangers qua
uiterlijk weinig verschillen van vlees. Vreemd,
want in tegenstelling tot karbonades en speklappen,
kun je vleesvervangers wel degelijk ontwerpen.
Ik vind het bovendien een rotwoord, vleesvervangers,
het klinkt niet echt. Wil je een keer een dag
geen vlees eten dan word je een surrogaat product
opgedrongen. Dat geeft mij als ontwerper maar
ook als consument een onprettig gevoel. Het vegetarische
aspect van die producten wordt te weinig benadrukt.
Net zoals kaas, vlees en vis, zouden vleesvervangers
een apart supermarktschap moeten hebben.
Aan tafel met Atatürk
Tekst en fotos Sander Groen
Bijna bezwijkt het onder de fin de siècle-grandeur:
hotel Pera Palas in Istanbul. De sultan zelve
deed in 1892 de deur open van deze luxueuze logeerplek
voor de passagiers van s werelds beroemdste
trein, de Oriënt Expres. Eén probleempje
was er maar: treinstation Sirkeci stond naast
het Topkapipaleis en het hotel helemaal in de
chique Franse wijk Pera. Natuurlijk hoefden de
deftige gasten niet te voet door Constantinopel:
per bladgouden draagstoel ging het over de Gouden
Hoorn naar het grand hotel.
Pera Palas' leukste attractie is de stokoude
lift, een met mahoniehout en rood fluweel beklede
gietijzeren kooi, die zich krakend in beweging
zet als de ouderwets geüniformeerde liftjongen
op het knopje drukt. Het ontbijt wordt geserveerd
in een decadente balzaal met marmer zover het
oog reikt en kristallen kroonluchters onder een
fenomenaal koepelplafond. In de Patisserie de
Pera lijken de taartjes onaangeroerd sedert 1892,
maar bestel een droge Martini in de Oriënt
Bar en je voelt je Mata Hari in de spionagezaak
van de eeuw.
Koperen plaatjes op de deuren van de kamers en
suites verklappen welke beroemdheid waar heeft
geslapen, van Ernest Hemingaway en Sarah Bernhardt
tot Jackie Kennedy en Julio Iglesias. Krakende
parketvloeren, antiek meubilair, versleten Perzische
tapijten en de kans om te slapen in het bed van
Greta Garbo, Josephine Baker of Zsa Zsa Gabor
maken dit het walhalla voor nostalgici die de
21e eeuw willen ontvluchten. Als hotel is het
tegenwoordig een aanfluiting, maar als levend
museum een hit. Vergane glorie van de bovenste
plank.
Slapen in suite 101 kan niet meer, die is nu ingericht
als minimuseum. Hier bekokstoofde Mustafa Kemal
Atatürk, vader der Turken, de val van het
Ottomaanse Rijk en het begin van de Turkse republiek.
Hordes Japanse toeristen en busladingen Turkse
schoolkinderen krijgen nu het originele meubilair,
muren vol vergeelde fotos en geschilderde
portretten te zien, plus parafernalia als s
mans panama, pyjama en pantoffels.
Wat de pot schaft. Proef het openluchtmuseum
Een historische reis door de Hollandse keuken
Tekst en fotos: Dorien Dijkhuis
In de bosrijke en heuvelachtige omgeving van
Arnhem bevinden zich op 44 hectare grond 80 historische
boerderijen, huizen en molens. De tijd lijkt er
sinds het einde van de achttiende eeuw stil te
staan. Willem ten Veen, conservator bij het Openluchtmuseum,
wijst op de drie levensgrote fotos in de
moderne ontvangsthal. Een modern huishouden,
zegt hij, terwijl hij opkijkt naar het beeld van
een rijk gedekte ontbijttafel met croissants,
roomboter, exotisch fruit en cruesli. Op de foto
ernaast staat een typisch jaren zestig jongetje
grote stapels brood met margarine te besmeren.
De laatste foto toont een oudere boerenvrouw die
een brood snijdt. Het ontbijt is karig, ondanks
de pot waarin waarschijnlijk suiker zit en de
kan met koffie op de tafel. Zoals de fotos
je via ontbijttafels uit verschillende eeuwen
terugvoeren naar de vroege negentiende eeuw, zo
staat het hele Openluchtmuseum dit jaar in het
teken van eten door de jaren heen.
Eet waar je bent, bel Iens
Tekst Redactie bouillon!, foto Toussaint Kluiters
Ze hebben veel wind getrotseerd, de dames van
Iens, maar lijken nu toch definitief de toon te
zetten. Straks kun je bellen van waar je ook bent
en aan Iens vragen bij welk restaurant je met
een gerust hart kunt aanschuiven.
Een puur democratische eetgids dat stond Iens
Boswijk voor ogen toen zij aan haar Iens Independent
Index begon, acht jaar geleden. Ze was de dictatuur
van de bestaande eetgidsen en restaurantrecensies
in kranten en tijdschriften zat. Te elitair, te
hoogdravend, te cliché, stuk voor stuk.
De gast zelf, de mensen die dag in dag uit het
Nederlandse restaurant binnenstappen, vol feestelijke
verwachting of voor een zakelijke lunch, die moesten
volgens Iens gaan bepalen hoe ze hun bezoek beoordeelden.
En de leuke adresjes doorgeven natuurlijk. Iens
wilde meer oog voor doodgewone details als behoorlijke
muziek, een schoon toilet, ruimte voor invalide
bezoekers, aandacht voor kinderen en natuurlijk
lekker eten. Ze had haar idee opgedaan in New
York, waar de Zagath mateloos populair is en tegenwoordig
zelfs door het vak zeer serieus genomen wordt.
De keuken in de tijd van Rembrandt van Rijn,
Uomo Famoso
Tekst: Ingelies Vermeulen, illustratie Steef Duyst
Rembrandt van Rijn werd op 15 juli 1606 geboren
als negende in een rij van tien kinderen. Zijn
vader was mede-eigenaar van een Leidse korenmolen,
zijn moeder de dochter van een bakker. In die
dagen behoorden molenaars over het algemeen tot
de gegoede middenstand en Rembrandts ouders waren
dan ook welgesteld. Brood was een belangrijk bestanddeel
van iedere maaltijd, gemalen graan onmisbaar.
De tijdgenoten van Rembrandt waren echte zoetekauwen
en aten graag oliebollen en wafels. Goed voor
de omzet van de molen.
Rembrandt kreeg als enige van het gezin een klassieke
opleiding, en dat terwijl hij een van de jongste
kinderen was. Zijn ouders moeten al iets bijzonders
in hem gezien hebben. Rembrandt vond het leren
niet zo leuk als het tekenen en schilderen en
wist zijn ouders ervan te overtuigen dat hij in
de leer mocht bij een schilder.
De volgende drie jaar leerde hij van een plaatselijke
meester de basisvaardigheden van het ambacht.
Penselen maken van de staartharen van een eekhoorn,
kleuren maken van onwelriekende ingrediënten
als zwavel, azijn en dampende paardenmest. Als
achttienjarige had hij zulke goede vorderingen
gemaakt dat zijn vader erin toestemde dat hij
zijn studie zou voortzetten in Amsterdam bij de
historieschilder Pieter Lastman. Daar bleef hij
zes maanden en werkte een tijdje samen met zijn
jeugdvriend en medeschilder Jan Lievens. Twee
jonge mannen vol bravoure. Zij zouden het wel
eens gaan maken.
Smaak gaat bij ons nog steeds voor smoel
Tekst: Broer Feenstra, fotos Ton van Scheppingen
Restaurant De Grië op Terschelling is al
jarenlang de culinaire parel van de Wadden. Eind
maart verhuisden Ton van Scheppingen en Han Leereveld
hun fameuze eetgelegenheid vanuit de karakteristieke
Terschellinger boerderij aan het eind van Oosterend
naar het nieuw gebouwde Hotel Paal 8 in West aan
Zee. Ton van Scheppingen kookt voortaan in De
Grië Restaurant aan Zee. Kijken of hij die
Michelin ster terug kan winnen.
De directie van Hotel Paal 8 polste ons
een tijd geleden of wij ervoor voelden om De Grië
in hun nieuwe project onder te brengen. Bij een
hotel met de bijzondere uitstraling hoort een
restaurant van hetzelfde niveau, vonden zij. Wij
besloten toe te happen. Waarom? Omdat ik met mijn
53 jaar toch een dagje ouder word en dat fysiek
begin te merken. Vooral de knieën worden
minder. In een klein team zoals wij dat in Oosterend
hadden, ben je dan kwetsbaar. Daarom hebben we
nu gekozen voor een groter team waarin ik vervangbaar
ben. Alle tien werknemers zijn mee verhuisd naar
West aan Zee. Het is een geweldige locatie. Waar
in Europa vind je een restaurant achter de duinen,
pal aan zee? Bijna nergens! Onze gasten hebben
een grandioos uitzicht over de Noordzee en kunnen
nu ook een nachtje blijven slapen. In het verleden
zegden mensen hun reserveringen af omdat ze nergens
op het eiland konden overnachten. OK, De Grië
is niet zelfstandig meer, maar deel van een groot
hotel. Ik vind dat een mooi idee. We koken ook
voor de hotelgasten en we verzorgen het ontbijt.
Het restaurant heeft 160 stoelen en een groot
terras. Al met al betekent dat lange dagen van
zeven tot middernacht. Dat doen we in ploegendiensten.
Ik zelf ben eerste chef-kok en f&b-manager.
Of de verhuizing ons klanten gaat kosten? Dat
denk ik niet. De vaste gasten zullen blijven komen.
We zitten in West aan Zee veel centraler op het
eiland dan in Oosterend.
Lustoord Luxor, Toscane
Tekst en fotos Mike Werkhoven
Boven de Sangiovese druivenstokken op de heuvel
Trasqua in Chianti dansen in de hitte de lijnen
van het middeleeuwse fort Monteriggione. De kruin
van de heuvel staat vol eikenbomen en in de schaduw
daarvan ligt camping Luxor, onze camping.
Luxor is een plek die je niet loslaat, we komen
er ieder jaar. You can checkout any time
you like, but you can never leave, zingt
Glen Frey, Eagles. We zijn weer terug in ons lustoord,
terug bij het heerlijke Toscaanse eten, verrukkelijke
rode wijn en Italiaanse gastvrijheid.
Onze tentplaats is het meest riante plekje van
de camping, schaduwrijk en pal naast de olijvenboomgaard.
Larissa Mascioni, de bazin van Luxor, heeft ons
lief. Het eerste wat we doen is het terras opzoeken
om de droge dorst te laven. Kleine oude eiken
geven hier veel schaduw. Eindelijk zitten we aan
een koele Antinori, witte wijn in beslagen glas,
heerlijk.
Daarna een duik in het koele zwembad naast het
terras. Elke zondag zijn de borders gevuld met
paraderende mammonis, nog bij mama wonende
mooie jongens en theatraal flirtende Italiaanse
Sofias. We never left.
Bouillon Leest
Wie werkten er mee aan dit nummer:
De bouillon-ambassadeurs
bestel
het zomernummer als los nummer
Home