|

Kreeftjes
In het najaarsnummer 2005 schreef bouillon! een
schrijfwedstrijd uit, speciaal voor de abonnees. Later is die
norm iets versoepeld, er waren lezers die vanaf het prille begin
iedere nieuwe bouillon! kopen bij hun boekhandel. Eigenlijk net
zo goed abonnees.
Uiteindelijk kwamen er acht verhalen binnen. De
eerste drie winnende verhalen worden in de komende nummers van
bouillon! opgenomen.
De winnaar kreeg het schilderij 'Kreeftjes' van
de kunstfabriek,
tien boekjes met het eigen verhaal, een kookboek en jaarabonnement
cadeau. De tweede en derde prijs tien boekjes met het eigen verhaal,
een kookboek en een jaarabonnement.
De jury bestond uit: Margot Vanderstraeten,
Vlaams auteur, Onno Kleyn, culinair journalist en Will
Jansen, hoofdredacteur bouillon!
Zelfs acht verhalen is nog een hele klus. De jury
las, mailde, belde, beraadslaagde. Ondertussen was het plan opgevat
om er een aardig boekje van te maken en dat mee te sturen aan
alle abonnees. Och manman, we waren er zo druk mee! Leuke, moderne
vormgever Dik Nicolai ontwierp een aardig boekje, boekje drukken
werd veel te kostbaar. Angelique Schmeinck vond het een leuk idee
om een kreeftenmaal te komen maken voor jury en deelnemers, maar
we kregen met geen mogelijkheid alle agenda's op een lijn. En
maar bellen en mailen...en de tijd verstreek en de deelnemers
wachtten geduldig. Het is allemaal wat versimpeld. Het boekje
is bij plan gebleven, de maaltijd is niet doorgegaan. Alle deelnemers
hebben de verhalen en de uitslag en de cadeautjes inmiddels binnen
en wij doen dit vast nog eens, maar dan beter voorbereid.
- De eerste prijs ging naar Alwin van Ee, met het verhaal
"het venijn zit in de staart"
- De tweede prijs naar Ab Bos, met het verhaal "Culinaire
overpeinzingen"
- De derde prijs naar W.Meischke, met het verhaal "Kreeft
met cola"
Will en Anka Jansen, uitgevers bouillon!
Hieronder, in willekeurige volgorde, alle acht de
verhalen, want ook de andere vijf willen we u niet onthouden!
Kreeftjes, Bouke Vlierhuis
Het venijn zit in de staart, Alwin van Ee
De kreeftendans, Hester Kiestra
De laatste schaal, Karin de Vries
Kreeft met Cola, W.Meischke
Kreeften en slabben, Daphne Aalders
A La Nage, Sjors Hoppenbrouwers
De verdoofde kreeft, Servaas Scholten
Culinaire Overpeinzingen, Ab Bos

Kreeftjes, Bouke
Vlierhuis
Sommige dingen wennen nooit. Zoals alleen uit eten gaan. Ik doe
het nog wel eens, dan neem ik een boek of een tijdschrift mee,
maar dan is er altijd iets wat me ergert. Een ober die zich opdringt
vanuit het gevoel dat hij zich over me moet ontfermen, te harde
muziek. En het eten is ook nooit zoals thuis. Meestal slechter,
liefdeloos klaargemaakt. Soms ook beter maar astronomisch duur
of te vreemd. Tegenwoordig schijn je overal torentjes van te moeten
maken. Torentje van hazenrug met kletskoppen van Parmezaanse kaas.
Hoe bedenk je het. Opgestapelde toetjes met smakeloze karameldraden
erin gestoken. Thuis heb ik nog tiramisù in de koelkast,
zoiets dergelijks denk ik dan altijd. Ik maak altijd een grote
schaal. Daar neem ik dan een week iedere dag een schaaltje van.
Tiramisù, haar toetje. Ze at het toen we voor het eerst
samen gingen eten bij de Italiaan aan de Grote Markt en ze at
het de avond dat ze stierf. Die Italiaan - hij had altijd heerlijke
inktvis-tagliatelle - is trouwens helemaal niet meer zo goed sinds
hij van eigenaar is gewisseld. Als ik dat van vijf restaurants
of winkels zeg, dan ben ik oud, zei ik ooit tegen mezelf. Ik ben
bij twintig gestopt met tellen.
Ik wist zo goed als niets van haar. In de jaren
dat we samen waren hadden we hooguit vier of vijf gesprekken over
de tijd daar voor. En dan was ik het die sprak, tot ze teder maar
beslist haar vinger over mijn lippen legde. Er is alleen nu, zei
ze, alleen wij. 'Kook jij nou maar.' En dat deed ik. Ik kookte
en we aten, we vreeën en we lazen in stilte. Zij las Spaanstalige
dichters die ik niet kende. Cardenal. Neruda. Zamora. Borges.
Die avond waren we een jaar getrouwd. Ik wist dus
een jaar dat ze in 1951 geboren was in Managua, Nicaragua.
Ik maakte Bouillabaisse, echte ouderwetse Bouillabaisse
zoals ze hem in Marseille maken. Met vijf soorten vis en een hele
langoest erin. Dat heerlijke gevoel van een hele dag vrij, naar
de markt voor verse spullen, een espresso en beginnen met de tiramisù.
Ik had het me niet moeilijk gemaakt. Die bouillabaisse maakte
ik met mijn ogen dicht, op het laatst. Tussendoor de terrine van
gerookte paling en makreel, de champagne koud gezet. Alles rook
naar verse dille. Voor de soep had ik van die babykreeftjes gekocht.
Om het extra feestelijk te maken. En ze smulde ervan natuurlijk,
van die soep. Maar die kreeftjes legde ze aan de kant. Netjes
ergens op, om het tafelkleed niet vies te maken, maar met een
gebaar en een gezicht alsof ze een haar in haar soep had gevonden,
zo stond het haar tegen. En daarna een verontschuldigende blik
naar mij. Ze wilde mijn kookkunst niet beledigen. Ze nam zelfs
de moeite om de kreeftjes, weer met dat gebaar alsof ze iets vies
of gevaarlijks vast hield, weer keurig recht in het schaaltje
te leggen. Laat mij ze dan voor je pellen, zei ik. Kijk, gewoon
kopje er af, op het buikje drukken tot je krak hoort en dan de
schaal eraf. Nee, nee. Neem ze maar mee, alsjeblieft. Zo kwam
ik in de keuken met twee lege kommetjes - ik heb van die leuke
witte Chinees-achtige met een blauw werkje - met in de bovenste
twee gekookte baby-kreeftjes die me aankeken met hun zwarte, bolle,
blinde ogen. 'Houden jullie het hier maar in de gaten, ' zei ik,
een beetje dronken van de champagne, tegen de kreeftjes, 'dan
dien ik het toetje op.'
Toen de mannen met hun zwarte auto haar de volgende
ochtend hadden meegenomen liep ik, verbijsterd vluchtend in automatismen,
de keuken in om een espresso te maken. De kreeftjes hadden daar
de wacht gehouden.
Het lijkt misschien een kleinigheid, melodramatisch
zelfs, maar als je zo weinig over hebt van iemand waar je van
hield, als iemand bij je wegglipt en, behalve kleren en een paar
foto's die je zelf genomen hebt, niets achterlaat - haar geboorteakte,
die ik voor het laatst zag toen we in ondertrouw gingen, de dichtbundels,
ik heb ze nooit meer teruggevonden - dan hou je je blijkbaar vast
aan van alles.
Het ging al een tijdje bergafwaarts met dat kleine
winkelstraatje dat daar een beetje kronkelig aan de rand van het
centrum ligt, in de schaduw van die strenge middeleeuwse kerk.
Dus de gemeenteraad deed waar ze voor was aangesteld en ging de
verloedering tegen. Dat vernam ik allemaal later natuurlijk, normaal
loop ik de meeste winkels voorbij, leegstaand of in gebruik, dat
is me om het even. De gemeente ging de verloedering tegen door
in de leegstaande panden kunst te laten ophangen. Ook kunst, in
leegstaande winkels gehangen of elders, loop ik meestal voorbij.
Wandelend, mijn ogen op mijn voeten en de straatstenen gericht,
diep in gedachten loop ik eigenlijk bijna alles voorbij. Hooguit
bekijk ik vluchtig een buiten gehangen menukaart. Voor wie in
toeval gelooft was het dus toeval dat ik die dag, in die straat,
voor die etalage, opkeek.
Toen ik mijn ogen open deed lag ik op mijn rug in
een kring belangstellenden. 'Gaat het, meneer?' Een winterjas
met zorg opgevouwen onder mijn hoofd. De ziekenbroeders die kwamen
stelden vragen, of ik gedronken had, of ik genoeg gegeten had,
diabetes had of hartproblemen. Ze klonken hol en ver weg, alsof
ze door plastic buizen tegen me praatten. Ik moest ze van me af
duwen om rechtop te kunnen gaan zitten, zodat ik de etalage kon
zien.
Nu hangt het schilderij al weer een tijd in mijn
huiskamer. De felgekleurde kreeftjes in het blauw-witte kommetje.
En iedere avond als ik ga slapen kijk ik ernaar en zeg 'tot morgen'.

Het venijn zit in de staart
Geen tweede keer opscheppen als je aan de lijn wilt doen!
Weer zon advies waar Merel zich nooit iets van aantrok.
Ze genoot van de afhaalmaaltijd, die haar nog geen vijf euro had
gekost. Daar kon je het zelf niet voor maken! Ze zat met een bord
op haar brede schoot, diep weggezakt in de zitbank. De tv stond
aan. Een actualiteitenrubriek behandelde een item over de Duitse
taal. Bijna niemand in Nederland was die nog machtig, luidde de
stelling. Een man sprak over handelsbetrekkingen met Duitsland
en een congres voor docenten Duits. Ze hevelde nog een flinke
pluk bami uit het plastic bakje over naar haar bord. Opeens viel
haar mond open van verbazing.
Maar... maar... die man ken ik! riep
ze, ook al kon niemand haar horen. Ze veerde op, waardoor het
bord van haar schoot gleed. Klodders zoetzure saus vielen op haar
gympen en een gemberballetje rolde over het mottige tapijt. Ze
vloekte.
Dat... dat... is Pranger! Het was haar leraar Duits
van de middelbare school.
Durch, für, ohne, um, entlang, bis, gegen,
wider
De rijtjes voorzetsels waren na al die jaren nog niet
uit haar geheugen gewist. Zelfs al zou Merel ze willen vergeten,
het zou niet lukken. Toen ze die voorzetsels op school moest leren,
was dat geen huiswerk, nee, het was een dienstbevel. Wie ook maar
even haperde bij het opdreunen van die rijmpjes, riskeerde straf
en publiekelijke beschimping door de norse docent.
stets
mit dem vierten Fall, nie mit dem dritten nieder.
Hij was een leraar van de oude stempel: grammaticaregels
stampen, woordjes leren en veel schriftelijke overhoringen. Je
zorgde maar dat je je zaakjes kende, anders zwaaide er wat. Aan
spreekvaardigheid werd niet gedaan. Duits spreken leerde je maar
in je eigen tijd, of desnoods als je met je ouders op vakantie
ging. Met als gevolg dat ze nu nog feilloos de voorzetselrijtjes
kan opnoemen, maar geen foutloze Duitse zin uit haar zo welgevormde
mond kon krijgen. Ze had consequent geweigerd om Duits te spreken.
Niet omdat ze de taal of het land verafschuwde, maar puur om die
verdraaide Pranger niet achteraf het genoegen te gunnen dat hij
haar Duits had geleerd, al wist ze ook wel dat de man haar naam
niet eens meer zou kennen
De naam Pranger had nog altijd een triggereffect
op Merel: de voorzetsels rolden in staccato uit haar mond: Mit,
nach, nächst, nebst, samt. Dat ze de schurft aan die hoekige,
starre man had, was te zwak uitgedrukt. Ze voelde een diepe haat
voor hem. Hij was een wandelende gruweldaad, een schandvlek voor
de linguïstiek, de exponent van een overtollige menssoort.
Zelfs een Pranger moest een voornaam hebben, maar die kende niemand.
De man was het kwaad in eigen persoon en dat heeft geen voornaam.
Satan heet immers ook gewoon Satan. Pranger was een
aanduiding, een etiket, een verwijzing naar verderf. Geen voornaam,
dat zou schelen in de kosten als zijn naam in een grafsteen gebeiteld
moest worden.
Ze was op school een tijdje ziek geweest en had
bijles nodig gehad om de achterstand in te lopen. Pranger had
haar bij hem thuis ontvangen. Hij liet haar teksten vertalen waarvan
ze niet meteen doorhad dat ze ronduit pornografisch waren. Braaf
produceerde ze een letterlijke vertaling van zinnen als Maul und
Augen auf, hier wird kräftig abgespritzt. Hij had haar vastgepakt
en naar zich toe getrokken. Woest had ze zich losgerukt en was
gehold. Nooit meer terug naar die nare man! Tijdens de les hield
ze zich daarna gedeisd en met een onvoldoende voor Duits was ze
toch overgegaan naar de vijfde. Het vak Duits kon ze toen tot
haar opluchting laten vallen.
Een maand of vier geleden was ze een aantrekkelijke
job misgelopen. Dat was bij een grote firma die handelde in chemische
producten. Vakkennis had ze meer dan genoeg, want ze was ooit
begonnen aan een opleiding tot chemisch laborant. Die studie had
ze afgebroken. Ze lag te veel met zichzelf in de clinch en kon
de motivatie niet meer opbrengen. Toch wist ze genoeg om zich
te kunnen redden op een verkoopafdeling. Maar de sollicitatie
ketste af op haar gebrek aan talenkennis. Vooral Duits was van
belang omdat de firma veel zaken deed met de Bondsrepubliek. Achteraf
was het voor haar een uitgemaakte zaak dat Pranger de schuld hiervan
was.
De laatste maanden sleepte Merel zich van het ene
baantje naar het andere. Meestal werkte ze een paar weken als
koksmaatje in een keuken van een ziekenhuis of psychiatrische
instelling. Tot ze er weer genoeg van had en haar ontslag nam.
Dan had ze tijd genoeg om na te denken over haar toekomst. Mensen
als Pranger stonden een normale loopbaan in de weg. De maatschappij
zou ermee gediend zijn als dergelijk onkruid met wortel en tak
zou worden uitgeroeid. En niet alleen hij, want er liepen ongetwijfeld
vele Prangers rond. Zijn collegas waren misschien nog erger.
Surfend op het internet had Merel Pranger gevonden.
De man stond vermeld als voorzitter van een congres dat de Duitse
Docenten Dagen werd genoemd. Dit was een unieke kans! Driehonderd
docenten Duits bij elkaar geperst in een congrescentrum op de
Veluwe, het puikje van de germanistiek samengebracht op een paar
honderd vierkante meter. Als Merel ze allemaal om zeep zou kunnen
brengen, zou het spoor nooit via Pranger naar haar kunnen leiden.
Het was zonneklaar, ze moesten er allemaal aan. Ze dacht daarmee
in het landsbelang te handelen. Zon Pranger verscherpte
de tegenstellingen in de samenleving. Dat werd alleen al bewezen
door het feit dat zijzelf de behoefte voelde om hem uit de weg
te ruimen. Als iemand in staat was om dat op te roepen bij de
buitengewoon aimabele persoon die ze was, moest hij gewoon dood.
En dan ook maar meteen het hele miserabele stelletje, want als
je iets deed, moest je het goed doen. Ze vond het moreel verwerpelijk
om een mens te doden, maar in dit geval was een hoger doel gediend.
Over drie weken zou het congres in Putterlo plaatsvinden.
Ze had nog even de tijd om een goede manier te vinden. Misschien
een bom plaatsen? Maar hoe kwam ze aan explosieven? Hoe kon ze
die ongemerkt het congrescentrum binnensmokkelen? Nee, niet subtiel
genoeg en bommen waren speeltjes voor fantasieloze mannen.
Vrijdagochtend, negen uur. De opening van de Duitse
Docenten Dagen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
werd voorgereden in een zilvergrijze BMW. In de grote ontvangstzaal
luisterden de congresdeelnemers gelaten naar lange toespraken
van de minister en andere hooggeplaatste redenaars. Uitwijdingen
over het belang van de Duitse taal voor dit of dat. Gedurende
de hele dag waaierden de germanisten uit over de verschillende
workshops. Om zes uur ging het gezelschap aan tafel. De congresvoorzitter
vroeg om een moment van stilte en wenste iedereen een smakelijke
maaltijd toe. Het voorgerecht was kreeftensoep met een scheutje
madera. De vrolijk pratende congresgangers aten de soep met smaak
op, waarna het hoofdgerecht volgde.
Tegen de tijd dat het dessert kwam, begonnen de eerste dinergasten
pijn in de onderbuik te krijgen. Er ontstond een run op de toiletten,
die al snel allemaal bezet waren. Men spoedde zich naar de slaapkamers
om over te geven en de diarree de vrije loop te laten. Sommige
mensen hadden bloed in hun uitwerpselen.
De dagen erna bestonden de symptomen uit ernstige
uitdroging, een afname van de urineproductie en een steeds lager
wordende bloeddruk. Artsen en verplegend personeel kwamen handen
tekort. Bij de meeste patiënten trad de dood binnen drie
dagen in. De zeer sterken die op de vierde en vijfde dag nog leefden,
zouden waarschijnlijk weer helemaal herstellen.
De technische recherche trof in de kreeftensoep
een grote hoeveelheid ricine aan, een van de giftigste stoffen
die in de natuur voorkomen. Het is een eiwit, afkomstig uit de
zaden van de wonderboom, de Ricinus communis. Eén milligram
is al voldoende om een volwassene te doden. Een tegengif bestaat
niet. Artsen kunnen de armzalige hoogstens aan de kunstmatig beademing
gooien, verder stonden ze machteloos.
Zelfs de AIVD kwam onderzoek doen op het congrescentrum, wetend
dat ricine een geliefd wapen van terreurbewegingen is. De giftige
kreeftensoep leidde tot wilde speculaties onder journalisten.
Kranten stonden vol met algemene bespiegelingen over het gebruik
van gif door terroristen en veiligheidsdiensten. Eén misdaadverslaggever
wist te vertellen dat de Bulgaarse journalist Georgi Markov in
1978 met dit gif om het leven gebracht was. Markov stond op de
bus te wachten, vlakbij Waterloo Station, Londen, toen hij met
een paraplu werd gestoken. In zijn been vond men later een geperforeerd
kogeltje, waarin het dodelijke gif vermoedelijk had gezeten.
Na het bereiden van het diner zat Merels dienst
erop. Nog voor de eerste misselijkheid begon, was ze er al tussenuit
geknepen. Achteraf was het gemakkelijk geweest om als assistent-kok
in de keuken van het congrescentrum aan de slag te gaan. Als invalkracht
op drukke dagen. De afspraak was dat ze eerst een paar keer op
proef zou komen, zwart, wat het voordeel had dat ze onder een
valse naam kon werken. Mees noemde ze zich.
Het gif had ze bereid uit een groot aantal zaden
van de wonderboom, die ze bij verschillende tuincentra en kwekers
had gekocht. Geen wet die verbood om in dit zaad te handelen.
De kunst was het alleen om het gif uit de zaden te krijgen. Maar
dat was een fluitje van een cent met de apparatuur die ze thuis
in de schuur in elkaar had geknutseld.
Tevreden zat de heer Pranger in de avondkrant te
bladeren.
Vacatures genoeg na die giframp, riep hij naar zijn
vrouw, die in de keuken gegratineerde geitenkaas met amandelen
en appel aan het bereiden was. Hij snoof de vertrouwde geur op
en wreef met zijn wijsvinger over zijn smalle snor.
Fijn, riep ze terug. Dan kun je op een betere
school gaan lesgeven. En meer verdienen, zodat we eindelijk een
nieuw bankstel kunnen betalen.
Hij verkneukelde zich al bij de gedachte dat hij
voor een gymnasiumklasje met rijkeluiskinderen stond, in een dorp
waar ze niet zo brutaal waren als in de grote stad. Hij zou de
voorzetsels genadeloos erin rammen. Overal zou hij ze te grazen
nemen, über, unter, vor und zwischen. Oorlog zou het zijn,
het hele schooljaar door. Hem kregen ze er niet onder. Met geen
kilogram ricine. Zijn vegetarisme had hem gered. Kreeftensoep
zou hij sowieso und überhaupt nooit eten. Voor het handjevol
vegetariërs was er die eerste congresdag romige Franse peultjessoep
geweest en die was voortreffelijk.

De kreeftendans, Hester
Kiestra
Daar waar de zon op een zomeravond al vroeg het zeewater aan
de horizon raakt. Daar waar een onzichtbare kring over de wereld
loopt die vernoemd is naar de koning van de schaaldieren. Daar
ligt het eiland van de vrouwen en op dat eiland staat een hotel
dat ik nooit meer zal vergeten.
Het bijzondere hotel was vroeger het buitenhuis
van een, voor de eilandbewoners, mysterieuze vrouw en ligt aan
een helderblauwe zee. Het statige huis wordt door de eilandbevolking
met recht als vergane glorie betiteld. Het is te lang verlaten
geweest en dat hebben de goede bedoelingen van de nieuwe eigenaar
niet kunnen verbloemen. Het klassieke gebouw valt in zn
omgeving flink uit de toon. Het is duidelijk dat de vroegere eigenaresse
uit een andere cultuur kwam en zich niet liet hinderen door de
lokale opvattingen over architectuur toen zij het liet bouwen.
Het huis staat trots als enige tussen tropische bomen en planten
aan het begin van het strand. Op de dakrand staat in grote sierlijke
goudkleurige letters de voormalige naam van het huis. Inmiddels
staan echter een aantal van de letters niet langer overeind waardoor
de overgebleven letters samen het woord angst vormen.
Toen ik aan het eind van de middag na een lange
reis aankwam bij het hotel, vielen de antieke letters me direct
op. Het fascineerde me maar bezorgde me gelijktijd ook rillingen.
Ik vroeg me af of het de hoteleigenaar al eens ter ore was gekomen
dat zijn hotel op deze manier voor sommige anderstalige toeristen
wel een heel bijzondere naam had gekregen. Het was maar goed dat
de onbeduidende foto in de reisgids voornamelijk de romantische
tuin en de ligging aan zee toonde, anders had ik als alleengaande
reiziger zeker een andere bestemming gekozen. Eenmaal binnen in
het hotel voelde ik een kriebelige spanning over me heen komen.
Deze plek had een magische aantrekkingskracht maar ik kon niet
duiden waarom.
Vanaf de bovenste verdieping van het hotel was het
uitzicht fenomenaal. De gasten die er vaker kwamen wisten dat
je een kamer met zeezicht op de tweede verdieping moest boeken.
Op de eerste verdieping, in het bijzonder bij mijn hotelkamer,
stonden de kruinen van de bomen in het zicht. Doordat deze bomen
vielen in de categorie zeer dicht bladerdek was er geen doorkijken
aan. Ik ontdekte dit vanzelfsprekend te laat, dat wil zeggen de
eerste avond gezeten op mijn balkon op de verkeerde verdieping
toen het me plotseling opviel dat er gelijktijdig een aantal hotelgasten
in beweging kwam. Het leek wel of iedereen haast had om zich te
installeren op het gietijzeren balkonsetje. Ik dacht even dat
ik mij in een schouwburgzaal bevond waar men te laat binnenloopt
en haastig naar het juiste stoelnummer zoekt. Na een paar minuten
werd het heel stil alsof de voorstelling kon beginnen. De stilte
duurde maar kort. Opeens begonnen mijn medegasten zonder een daarvoor
aanwijsbare reden, zachtjes naar elkaar hun verwondering kenbaar
te maken. Een onbedwingbare nieuwsgierigheid maakt zich van mij
meester. Dit hotel had niet alleen een bijzondere naam, er was
meer aan de hand en ik was vastbesloten uit te zoeken wat dat
was. Ik kon niet ontsnappen aan de ohs en ahs van
de hoger gelegen balkons en na een paar minuten verbazing over
deze gedempte opwinding besloot ik mijn balkon te verlaten.
Ik ging op onderzoek uit. Dat strandde echter snel,
want beneden aangekomen, bleek al het personeel spoorloos verdwenen.
De buitendeuren naar de tuin waren dicht en er hing een dwingende
stilte. Ik kwam tot de conclusie dat ik geen kan top kon en ging
teleurgesteld terug naar mijn hotelkamer. Daar arriveerde ik net
op tijd op mijn balkon om te merken dat de verwondering eindigde
in ontroering. Het leek alsof het doek viel en de mensen moeite
hadden hun tranen te bedwingen. Vrijwel direct begaven ze zich
naar binnen. Ik hoorde de balkondeuren dichtgaan en wederom werd
het stil. Ik raakte mijn nieuwsgierigheid maar niet kwijt en pakte
een boek om mijn gedachten af te leiden. In het hotel abc had
ik gelezen dat het diner vanaf half negen werd geserveerd en dus
moest ik tenminste een uur overbruggen. Maar ik kon mijn gedachten
niet bij de zinnen houden en liep opnieuw de gang op. Ik besloot
bij mijn buren aan te kloppen. Er kwam geen reactie. Ook een verdieping
hoger kreeg ik geen antwoord, terwijl ik wel degelijk van achter
de deuren kamergeluiden hoorde. Na wat omzwervingen waarbij ik
niemand tegenkwam, liep ik terug naar mijn eigen kamer. Ik ging
in bad liggen en wachtte tot het tijd was voor het diner.
Nog voor half negen begaf ik mij naar beneden en
was opgelucht dat de verlichting aan was en er zelfs weer personeel
rondliep. Ik werd naar mijn tafeltje gebracht en probeerde een
gesprek aan te knopen met de ober. Hij leek mijn directe vraag
over de gebeurtenis te negeren en vroeg wat hij voor me in kon
schenken. Toen hij een paar minuten later terug bij mijn tafel
kwam met de fles witte wijn, deed ik opnieuw een poging. Ik was
zijn taal niet bijzonder goed machtig maar kon uit zijn reactie
wel opmaken dat het zeer ongepast was om over dit onderwerp vragen
te stellen. Dit maakte mij nog nieuwsgieriger en ik besloot mijn
kans te wagen bij een hotelgast.
Na het voorgerecht ging er aan een tafeltje naast
mij een aantrekkelijke man zitten, die overduidelijk afkomstig
was uit dit deel van de wereld. Ik knoopte een gesprek met hem
aan en na wat prietpraat, sneed ik het onderwerp aan. Hij begon
te fluisteren en stelde voor dat we elkaar later die avond zouden
ontmoeten in het barretje met de azuurblauwe luiken bij de haven.
Daar zou hij mij meer vertellen maar ik moest hem beloven er in
deze omgeving niet meer over te praten. Hij mompelde nog iets
over het verbreken van de betovering en ging toen over tot het
nuttigen van zijn maaltijd.
Toen het tegen elven liep, verliet ik mijn hotelkamer
en liep met grote passen anar de haven. In het donker waren de
azuurblauwe luiken van het barretje moeilijk te zien maar door
het bescheiden aantal gelegenheden ter plekke had ik de juiste
plek snel gevonden. Binnen gekomen, zochten mijn ogen de slecht
verlichte ruimte af naar het donkere markante gelaat van de man.
Onze blikken kruisten elkaar en ik herkende hem direct aan zijn
zeekleurige ogen. Hij stond op, begroette me en schoof mijn stoel
aan toen ik ging zitten. Zonder aarzeling bestelde hij voor mij
een glas mierzoete likeur en liet een schaaltje met lokale lekkernijen
serveren. Een man die behoort tot het zeldzame soort, schoot er
door mijn hoofd bij het ervaren van zoveel hoffelijkheid. Terwijl
ik mijn vingers aflikte bij de heerlijke ingrediënten die
mij waren voorgeschoteld, begon hij op fluistertoon te vertellen
alsof hij een sprookje voorlas.
Lang geleden woonde er, wanneer het in Europa winter
was, een eenzame vrouw uit een adellijke familie op dit eiland.
Zij leefde teruggetrokken en alleen een paar lokale mensen die
voor haar werkten, wisten wat er zich in haar huis afspeelde.
In het zevende jaar dat zij op het eiland kwam, gebeurde er iets
bijzonders. De vrouw zwom s avonds wanneer het donker was
altijd in zee. Zo ook deze keer. Toen ze terugkwam naar het strand
zag ze iemand in het zand zitten en aan de scherpe gelaatstrekken
zag ze dat het een man was.
De man had haar in het water gezien en raakte gefascineerd
door het schouwspel van een zwemmende dame, dat werd bijgelicht
door de volle maan. Hij kwam wel vaker met zijn schip op dit eiland
maar deze zeldzaam mooie vrouw had hij nooit eerder gezien. Hij
besloot op haar te wachten.
Toen de vrouw voor hem stond, werd ze getroffen
door de blik in zijn zeeblauwe ogen en bleef sprakeloos voor hem
staan. De aantrekkingskracht was wederzijds. Zonder woorden pakte
de man de handdoek en droogde haar af. Zij liet het gebeuren;
een zo fijn gemanierde man had ze niet eerder ontmoet. Hij betoverde
haar met zijn charme en zij genoot. Vanaf dat eerste moment waren
ze onafscheidelijk.
Op het eiland werden ze door de bevolking met afkeur
bekeken. Een liefde tussen twee mensen met verschillende geboortegrond
was volgens hun goden verboden. Ze geloofden dat deze liefde onheil
op het eiland zou brengen. De eilandbewoners verzochten hem het
eiland te verlaten, maar de man luisterde niet. Hij kon niet geloven
dat deze ware liefde geen toekomst had.
De dag waarop de man moest vertrekken omdat zijn
schip uitvoer kwam onvermijdelijk. Hij zwoer de vrouw terug te
komen zo gauw er een gelegenheid was om het schip aan te meren
in de haven van het vrouweneiland. De vrouw was ontroostbaar en
dat werd versterkt door haar angstige voorgevoel over wat de toekomst
ging brengen. Na enkele weken bereikte haar het bericht dat het
schip van haar geliefde was vergaan vlak voordat het de haven
van het eiland zou binnenvaren. De vrouw werd uitzinnig van verdriet.
Ze verloor haar reden van bestaan en een paar dagen later, toen
het volle maan was, zwom ze de zee in om nooit meer terug te keren.
De eilandbewoners geloofden dat de goden hun oordeel
hadden geveld en dat hun eiland nu verschoond zou blijven van
rampspoed. Eén van de eilandvrouwen, die als kok voor de
buitenlandse dame werkte, dacht er anders over. Ze had met eigen
ogen gezien dat deze man en vrouw voor elkaar bestemd waren. Ze
had genoten van de vrolijkheid die dit liefdesgeluk in het huis
had gebracht. Zij treurde om het tragische einde. De vrouw ging
bij de goden te rade en las in de kaarten dat de zee wraak zou
nemen. Ze besloot om deze liefde met een ritueel te voeden om
zo de hogere krachten gunstig te stemmen. Ze zette iedere avond
met volle maan om zeven uur s avonds een aardewerken schaaltje
met magische ingrediënten op het strand. De eerste paar keren
gebeurde re niets, maar de vrouw bleef volharden en maakte er
haar dagtaak van om het juiste brouwsel te bereiden. De eilandbewoners
bekeken haar met wantrouwen en geloofden de beweringen van de
vrouw niet. Maar bij de vierde maal dat het volle maan was en
de vrouw wederom het schaaltje op het strand had gezet, kwamen
er twee vuurrode kreeften innig verstrengeld uit de zee het strand
bij het huis oplopen. De eilandbewoners waren ontzet en meden
uit angst voortaan dit strand. Ze respecteerden de rituelen van
de koksvrouw en voldeden aan haar verzoek er over te zwijgen zodat
de magie van de kreeftenliefde niet zou wroden verbroken.
Sinds die avond komen één keer in
de vier weken bij volle maan de twee geliefden naar het strand.
Ze steken hun hoofden in het schaaltje en het lijkt alsof ze hun
liefdesmaal eten. Daarna dansen de kreeften. Ze bewegen hun elegante
ledematen met een sierlijkheid die door een mens nooit te evenaren
zal zijn. Maar liefst acht poten hebben ze waarmee ze elkaar vasthouden.
Met totale overgave geven ze uiting aan hun liefde onder het licht
van de maan. Hoe de dans eindigt zal ik niet verklappen, zei de
man. Maar tot slot keren ze samen terug naar de golven.
Inmiddels is het de kleindochter van de vrouw die
het aardwerken schaaltje in het zand zet bij volle maan. Het strand
moet verlaten zijn. De kreeften komen alleen als ze niet gestoord
worden. De eilandbewoners komen nog steeds niet op dit strand,
zij geloven dat het einde van de kreeftendans ook het einde van
het vrouweneiland betekent. Zij zwijgen om vervloeking door de
goden te voorkomen. Een de hotelgasten die komen er speciaal voor.
Zij kennen de regels en hebben er alles voor over om zich te laten
betoveren door deze magische liefde van de kreeften.
Ademloos luisterde ik naar de woorden van deze fascinerende
man en hoopte dat ik de kreeften ooit met eigen ogen zou zien
dansen. Toen hij uitgesproken was, liepen we samen terug naar
het hotel. Ik bedankte hem voor het bevredigen van mijn nieuwsgierigheid
en zei dat ik zeker naar het eiland terug zou keren bij volle
maan. In de dagen erna was de man spoorloos verdwenen en bij navraag
bleek niemand hem te kennen. Ik begon aan mezelf te twijfelen,
misschien had mijn fantasie een loopje met me genomen.
Inmiddels weet ik beter, ik heb mijn bestemming
gevonden. Ieder jaar keer ik terug naar het vrouweneiland. En
de kreeften, die hebben mij de liefde gebracht.

De laatste schaal, Karin
de Vries
Voor zover ik mij kan herinneren aten we elke zondag bij mijn
oma. Mijn oma kookte en bakte dat het een lieve lust was en zette
de heerlijkste dingen op tafel. Ik, als haar oudste kleinkind,
mocht haar vaak helpen. We deden heel geheimzinnig in de keuken,
stuurden iedereen die stiekem wilde kijken onder bedreiging van
een pollepel weg en gingen giechelend verder met het maken van
de meest verrukkelijke gerechten.
Als het tijd werd om te gaan eten, zaten al mijn ooms en tantes,
neefjes en nichtjes vol verwachting te kijken naar de keukendeur.
Dan kwamen wij binnen. Wat voelde ik mij trots.
Tijdens het eten praatten mijn ooms over gewichtige, belangrijke
zaken, zoals politiek en namen ze vaak met luide stem
de toestand in de wereld door. Mijn tantes wisselden recepten
uit, bespreken de rest van de familie en probeerden ons
de nichtjes en neefjes - in toom te houden terwijl wij grapjes
uithaalden en gewoon lol hadden.
En mijn oma
die genoot. Ze zat sinds de dood van mijn opa
aan het hoofd van de tafel en nooit zal ik die blik van haar vergeten.
Ze genoot met volle teugen en stráálde! Iedereen
die haar dierbaar was zat immers in een grote kring rondom haar
te genieten van haar kookkunsten, te lachen om de grapjes van
mijn jongste oom en om elkaar.
Voor mij was de zondag al een hoogtepunt maar voor mijn oma moet
dat helemaal het geval zijn. Ze haalde speciaal voor die zondagen
dan ook de meest mooie glazen en bestek te voorschijn. En natuurlijk
het servies. Het was al in de familie sinds de vader en moeder
van mijn oma trouwden. En dat was al heel lang geleden. Want mijn
oma was zelf al heel oud.
Maar zoals dat gaat in het leven; er kwam een dag
dat mijn oma overleed. De begrafenis werd gevierd met een uitgebreid
diner met de hele familie, die inmiddels flink was uitgebreid
met de vriendjes en vriendinnetjes van haar kleinkinderen. Want
zo had oma het immers gewild. Ik besloot haar dan ook als
laatste eerbetoon een authentiek feestmaal te geven, net
zoals wij dat jaren op zondag hadden gedaan. Per slot van rekening
had ik haar altijd geholpen en ik kende dan ook alle recepten.
Het had een feestmaal moeten worden, maar het werd een verdrietige
toestand. Iedereen probeerde uit alle macht het gevoel van vroeger
terug te vinden, maar daar was het het moment niet voor. Er hing
een bedrukte stemming.
Oma was een rijk mens, tenminste als het ging om
haar familie, met materiële zaken had ze weinig. Het enige
waardevolle dat ze bezat, was het servies. En dat had ze aan mij
nagelaten! Ik was enorm verbaasd toen mijn vader (haar oudste
zoon) mij dat kwam vertellen. Hij vertelde dat mijn oma in haar
testament had gezet dat ik haar oudste kleindochter die
haar altijd had geholpen met koken het servies kreeg. Ik
verwachtte dat dat nogal wat strijd op zou leveren in de familie,
maar tot mijn stomme verbazing was iedereen het er mee eens. Er
werd afgesproken dat ik het servies de volgende dag op zou halen.
Toen ik in omas oude huisje kwam, besloot ik om alleen het
servies te pakken en snel weer weg te gaan. De herinneringen aan
oma kon ik op dat moment niet aan. Het stond al ingepakt dus ik
kon snel weer weg.
Toen ik thuis kwam, pakte ik het uit en bekeek de prachtige borden,
schotels, kopjes en schalen. De schitterende kleuren, het mooie
email en de prachtige vormen. Ik kon mijn geluk niet op. Alles
was in een prima conditie. Je kon zien dat oma er heel liefdevol
mee om was gegaan.
Bij het uitpakken van de laatste schaal stond mijn
hart stil. De laatste schaal was gebroken! Mijn adem stokte en
ik begon te huilen. Arme oma, die zo voorzichtig was geweest met
haar spulletjes en nu was één van haar schalen gebroken.
Wat erg!
Ik draaide de schaal rond om te zien of hij nog gelijmd kon worden,
maar helaas, je zou het altijd zien. Misschien dat een antiquair
raad wist.
De volgende dag pakte ik de schaal voorzichtig in veel krantenpapier
in en ging de stad in, op zoek naar een winkel die mij zou kunnen
helpen. Toen ik binnenkwam vertelde ik de winkelier welk probleem
ik had.
Mag ik de schaal eens zien?
Voorzichtig verwijderde ik het krantenpapier en pakte ik de beide
helften uit het papier.
Zo, dat is een fraai exemplaar, waar heeft u dat vandaan?
vroeg hij.
Ik vertelde hem dat het een erfenis van mijn oma was.
Valt het nog te lijmen? Zodat je niet ziet dat het gelijmd
is?
Ik betwijfel het, maar daarvoor moet ik het beter bekijken.
Mag ik?
Hij pakte de schaal aan, draaide hem om en om en gaf hem met een
frons weer aan me terug.
Ik kan hem wel lijmen, mar je zult het altijd zien. De barst
zit namelijk dwars door de schildering heen, zei hij, het
spijt me.
Ik bedankte hem en ging weer naar buiten. Er
zijn meer antiquairs, zei ik tegen mezelf en ging op pad,
op zoek naar een ander. Maar helaas, waar ik ook kwam, iedereen
vertelde mij hetzelfde. Het feit dat de barst dwars door de schildering
heen zit, was funest.
Toen ik thuis kwam, besloot ik het servies
en dus omas herinnering een mooi plaatsje te geven
in mijn huis en ik zette het in de glazen vitrinekast. Zo was
oma toch nog een klein beetje bij me. Wel knaagde er iets want
het feit dat ik een schaal miste, zat me dwars.
Ik betrapte mij erop dat ik iedere antiquair die
ik tegenkwam of dat nu in mijn eigen woonplaats was of
ergens anders binnenliep op zoek naar de laatste schaal.
Zodat ik het servies compleet kon hebben, net zoals mijn oma dat
op de zondagen dat wij bij haar kwamen eten ook had. Helaas, dat
gebeurde nooit.
Jaren gingen voorbij en nooit vond ik de laatste
schaal. Ik had de hoop dan ook al bijna opgegeven en begon te
berusten in het feit dat ik het erfstuk van mijn oma dat al zoveel
jaren in de familie was, nooit compleet zou krijgen.
Totdat ik op een dag in Amsterdam op bezoek was
bij een vriendin en wat door de stad slenterde. Zij moest werken
en ik was alleen. Voordat ik er erg in had, was ik langs een kunstgalerie
gelopen. Het was een heel klein zaakje dat er van buiten niet
echt uit zag als een goedlopende zaak. Ze verkochten er serviezen,
schilderijen en objecten. Op de één of andere manier
werd ik naar binnen getrokken. Nadat ik een aantal kunstwerken
had bekeken liep ik verder naar achteren en toen ik een hoek om
ging, stokte mijn adem. Daar, in het schemerdonker, was mijn schaal!!
Weliswaar niet in het echt, maar geschilderd op een doek. Het
was precies de schaal die bij mij ontbrak!
Ik besloot de eigenaar van de zaak aan te spreken om achter de
prijs van het schilderij te komen, want dat stond er niet bij.
Mijnheer, hoe duur is dat schilder?
Welke bedoelt u mevrouw?
Die, met die schaal.
Die kost 500 euros mevrouw.
Pakt u m dan maar in, ik neem m.
Thuisgekomen pakte ik het schilderij uit en hing
het aan de wand. Ik was zo blij dat ik eindelijk het servies compleet
had (weliswaar niet in het echt maar juist met een extra meerwaarde)
dat ik besloot om het op gepaste wijze te vieren.
Ik ging er eens goed voor zitten en pakte pen en papier. Nadat
ik goed had nagedacht, schreef ik alle recepten op van de gerechten
die mijn oma op zondag voor ons klaarmaakte en waar ik altijd
bij had geholpen. Ik belde al mijn familieleden op en vroeg ze
de volgende zondag om 12 uur bij mij langs te komen voor iets
belangrijks. Ik zei er niet bij waar het om ging. Iedereen zei
toe te zullen komen.
Toen het zondag werd stond ik vroeg op en bereidde
alle lekkernijen die mijn oma ook voor ons klaar had gemaakt,
die vele zondagen dat wij allemaal kwamen eten. Als laatste schoof
ik de tafel onder het schilderij en wachtte op wat komen ging.
Toen de deurbel ging, stond ik op om open te doen
en mijn gasten te begeleiden naar de eettafel. Werd
er in de gang eerst nog gelachen; toen iedereen in de kamer kwam,
was het doodstil. Want op de tafel stond het servies van oma en
daarboven hing de laatste schaal. Het werd stil, en dat bleef
het, totdat mijn jongste oom zei: Op oma!
Op oma!

Kreeft
met Cola, W.Meischke
Het stortregent als we de bus uitstappen die ons van Rome
naar Tivoli heeft gebracht.
-Bij de Banca di Roma naar rechts had de man van ons logeeradres
nog per telefoon gezegd,maar door de gifzwarte duisternis zie
ik geen hand voor ogen.
Het had mij zon goed idee geleken om op een adresje buiten
de hectische stad te overnachten,zodat we ons konden terugtrekken
wanneer we dat maar wilden en toch de cultuurschatten van Rome
binnen handbereik te hebben,maar ik weet nu al dat het toch geen
goed idee zal blijken te zijn.
Doorweekt bereiken we Villa Panorama.
-Morgen zal het uitzicht fantastisch zijn-,garandeert onze gastheer
en verontschuldigt zich voor het slechte weer,alsof hij er iets
aan kan doen.
Het is inmiddels over negenen en ik informeer of het naastgelegen
restaurant geopend is.
-Daar mogen jullie geen voet binnenzetten-,fluistert de man op
bezwerende toon.Hij weet een etablissement onder aan de trappen
waar wij heen moeten gaan.En niet vergeten te zeggen dat hij ons
gestuurd heeft,dan komt alles in orde en,o ja, we mogen zijn paraplu
lenen want het zou toch jammer zijn om wederom doorweekt in Villa
Panorama te moeten terugkeren.
Een beetje overdonderd door zoveel initiatief en vermoeid van
de reis en hongerig van het weer denken we zelf niet meer na en
volgen de aanwijzingen blindelings op.
We klappen de paraplu open,lopen de stenen trappen af en gaan
op zoek naar het opgegeven adres.Onderaan de trappen zien we een
fel en ongezellig licht branden en we gaan naar binnen.Het geluid
van de televisie trachtend te overstijgen, leg ik uit aan de twee
hevig rokende dames dat we gestuurd zijn door Signor Panorama.
-Aha Entra!-
De andere tafeltjes blijken bezet door enkele stelletjes in trainingspakken,waarvan
de mannelijke helften meer interesse in het voetbal op tv dan
in respectievelijk de vrouw en het eten hebben.
We krijgen een laf schoteltje salade voorgezet en kunnen kiezen
uit twee verschillende soorten pasta.
Ik vraag om de wijnkaart maar dit wordt volledig genegeerd.In
plaats hiervan worden er twee glazen goedkope slobberwijn neergezet
en ik weet dat Tivoli niet tot mijn favoriete reisbestemmingen
zal gaan behoren.
Ik probeer de moed er in te houden door te opperen dat je in Italie
toch niet echt heel slecht kunt eten,zodat we goede hoop moeten
hebben op het hoofdgerecht.maar mijn vrouw heeft de moed reeds
opgegeven.
Met afgewende blik neemt ze haar bord pasta Napolitana in ontvangst
en ik weet hoe laat het is.
-Flauw,smakeloos en laf-,luidt het oordeel na de eerste hap.
Nogmaals verzoek ik om de wijnkaart om nog wat te redden maar
wederom stuit ik op weerstand.
Hoe kan ik om de wijnkaart vragen bij een menu van 15,-Euro all-in?
Daar zit dus de knoop!Onze Signor Panorama heeft dus een menuutje
geregeld bestaande uit een schoteltje salade,pasta,koffietje en
een glaasje wijn.
Ik leg uit dat we liever een beetje fatsoenlijk hadden willen
eten in plaats van een budget-menu voorgeschoteld te krijgen met
hoofdpijnwijn en ik bestel direct een fles Greco di Tufo van de
kaart die plotseling is gearriveerd om de laffe smaken met echte
mondvulling weg te spoelen.
Het stortregent nog steeds als we de trappen bestijgen
naar ons appartement.Onbevredigd maar tenminste droog keren we
terug in de villa.
In de aangrenzende kamer zijn een aantal luidruchtige gesprekken
aan de gang.Ik hoor vrouwen praten.Italiaans,denkt mijn vrouw
maar ik hou het meer op een voormalig Oostbloktaaltje.Geschreeuw
en gesmijt met deuren.Er komen mannenstemmen bij in dezelfde onduidelijke
klanken.Het zal zo rustig worden,het is inmiddels half 1.
Om half 2 besluit ik om zo hard als ik kan op de muur te bonken
en te schreeuwen:-Shut Up!-
Aan de andere kant van de muur klinkt een hoongelach.
Mijn vrouw zegt dat het niet haar idee was om hier te overnachten
maar mijn eigen voorstel.
Ik doe heel rustig.Voor mijn doen.
Geradbraakt worden we niet wakker,want dat veronderstelt
dat er toch enigszins een slaaptoestand voorafgaand aan het ontwaken
moet zijn geweest.
-Laten we een echte koffie drinken!-
-Goed idee,blijven we tenminste even wakker.
Het water komt nog steeds met bakken uit de hemel als we de nieuwe
morgen tegemoettreden.Gelukkig heb ik de paraplu nog niet teruggegeven
We lopen het eerste cafe binnen dat we tegenkomen en drinken,staand
aan de bar,de perfecte espesso,met veel zorg en gevoel voor traditie
klaargemaakt.
Omdat het er niet naar uitziet dat het binnen afzienbare tijd
op zal klaren,zullen we de Villa dEste bezoeken.Hierbij
bevindt zich de beroemde tuin van de villa,die tot een van de
meesterwerken van de italiaanse tuinarchitectuur gerekend wordt,daterend
uit de 16e eeuw.
Indrukwekkende fonteinen,spuwende nimphen en waterorgels zullen
we te zien krijgen.
In de Villa zelf moeten zich prachtige frescos en muurschilderingen
bevinden,zo bijzonder dat het op de werelderfgoedlijst van UNESCO
geplaatst is.
We volgen de buitenmuur van de tuin,er van uitgaand dat we zo
op een gegeven moment vanzelf bij de ingang komen.
Dicht tegen elkaar aangedrukt onder een paraplu komen we langs
verlaten pleintjes en eeuwenoude kerkjes waarvan de deuren uitnodigend
openstaan.Bij een ervan schuilen we even.Niet langer dan even,want
alle waardevolle relikwieeen zijn inmiddels al lang elders ondergebracht
of ontvreemd.
We lopen verder en af en toe vangen we een glimp op van de tuin
met prachtige beelden.
Uiteindelijk bereiken we de hoofdingang:Gesloten wegens verbouwing.
Stampvoetend loop ik het eerste restaurant binnen dat ik tegenkom
en bestel een schaal antipasto misto en een fles Pinot Grigio.
Ahh,dat voelt al iets beter.
-Laten we de bus naar Rome nemen-.
-Volgens dit boekje is het maar een klein half uurtje-.
Er blijkt een groot verschil te zitten tussen praktijk en geschreven
woord.
Anderhalf uur in een stampvolle bus,dus staan,over
de Via Tiburtina,de beroemde weg uit de romeinse tijd van Tibur
naar Rome is geen pretje.
Deze eeuwenoude tocht blijkt nu te bestaan uit een onophoudelijke
stroom autos die zich waarschijnlijk trager voortbeweegt
dan de ongemotoriseerde vervoermiddelen van enkele duizenden jaren
geleden.
Het uitzicht wordt ontsierd door bedrijvenparken,meubelboulevards
en fast-foodketens.
Ik lees wat in mijn reisgids:
-Tivoli,in de oudheid Tibur geheten,is nog voor Rome gesticht
door Tiburtus,kleinzoon van de griekse ziener Amphiaraus,die Zeus
bij Thebe door de aarde liet verzwelgen.
Hmm,even denken.Hoe was het ook alweer?.Diep graven in mijn mythologisch
geheugen.
Amphiaraus wist dat hij zou sterven als hij mee zou doen aan de
strijd,maar liet zich overhalen door zijn vrouw om toch te vechten
en stierf dus.
De list van de vrouw is dus blijkbaar sterker dan de angst van
de man voor de dood.
Zo mijmerend over quasi-filosofisch geleuter bereiken we station
Rebbibia.
Van hieruit verder met de metro naar Termini,een soort Centraal
Station,en vanuit daar weer met Linea A of B of weet ik veel wat
voor alfabetische gedrochten zich daar allemaal onder de eens
zo heilige grond bevinden.
Mijn telefoon ringtoont.{want rinkelen doet-ie allang
niet meer.}
-He,met Lo.Ik heb gehoord dat jullie in Rome zijn!Waar zitten
jullie precies?
-Onder de grond-.
-Waar precies?-
-Ergens op weg naar de St.Pieter-.
-Ok luister.Stap uit in de buurt van piazza Navone en loop naar
het plein.Daar zit ik in een mager voorjaarszonnetje maar met
een cappucino van onbetaalbare klasse.
-Ok,tot later-.
Als we bovengronds gekomen zijn blijkt de regen
inderdaad plaats gemaakt te hebben voor een waterig zonnetje.
We zijn inmiddels tweeeneenhalf uur onderweg en zien voor het
eerst een glimp van de stad.
Even later bereiken we het plein en vinden onze vriend,nippend
aan zijn kopje met een tevreden glimlach over zich.
-Ik ben op bezoek bij mijn broer,die woont hier tegenwoordig.Waar
zitten jullie precies?
-Tivoli-.
-Tivoli?Waarom in godsnaam daar?-
-Ja,ikdacht,misschien dat
-Tre cappucini,per favore.-
Het antwoord hoef ik niet meer te geven want het gesprek neemt
een andere wending,maar de vraag blijft nog lang nagalmen in mijn
hoofd.
De cappucino blijkt inderdaad van onbetaalbare klasse want we
rekenen 18,75 euro af voor 3 kopjes.
-Kom,we gaan naar Trastevere,de uitgaanswijk van
Rome.Ik weet daar een fantastische Enoteca waar ze meer dan vijftig
flessen wijn open hebben,die ze per glas serveren,waaronder enkele
top-Montepulcianos en als je een flesje van t een
of ander bestelt,krijg je er heerlijke hapjes bij!
Eindelijk ziet het er naar uit dat het tij zal keren,ten goede
hopelijk.
De Enoteca is een lange pijpenla met een hoog plafond.Vlak hieronder
hebben ze een richel gemaakt waarop, over de hele lengte van het
pand ,honderden flessen staan uitgestald.Veilig en hoog.Om er
een te pakken heeft men een grijpstok nodig.Het personeel grijpt
met een nonchalante trefzekerheid de flessen op een hoogte van
zon vijf meter.
Als we een fles Dolcetta dAlba laten aanrukken,verschijnen
de eerste hapjes:
Goede olijven,gegrilde paprika in olie,zongedroogde tomaatjes,salame,geroosterd
brood met kappertjes,gemengde paddestoelen in knoflookolie,gezouten
ricotta en prachtige ham.
Inmiddels is de broer ook aangeschoven en we genieten van de smaken
en het samenzijn.
Tijd voor een steviger flesje.
-Ik zie die Montepulciano van Valentini wel zitten!-
-Ik ook.Wat kost-ie?-
-Kijken we even niet naar.Ik tracteer deze ronde.-
-Grote vriend!-
Weer volgt het schouwspel met de grijparm en er volgen nieuwe
hapjes,meer passend bij deze wijn.
De broer weet te vertellen dat het openbaar vervoer er hier vroeg
mee uitscheidt.
Enigszins bezorgd informeer ik naar de laatste bus naar Tivoli.
-Half negen.-
-Hoeveel kost een taxi?-
-Ongeveer honderdvijftig euro.-
-Wat?Dan moeten we opschieten!
-Ciao,het spijt me.-
Het tij is nog steeds niet gekeerd.
Met alfabetische metrolijnen naar Rebbibia en weer de bus in,langs
troosteloze buitenwijken en verlaten meubelboulevards,terug naar
Tivoli.
Als we uitstappen valt de regen inmiddels weer met bakken uit
de hemel.
We passeren enkele aantrekkelijke etablissementen,maar
een knapperend hardvuur geeft op dit moment de doorslag.
Gelukkig,de deur is open,maar er is verder niemand te zien.
We wachten enkele minuten.
Dan verschijnt een man.Het is een zonderling figuur in werkkleding
en een onpeilbare blik in zijn ogen.Zonder een woord te zeggen
begeleidt hij ons naar een tafel dicht bij het vuur en verdwijnt.
Enige ogenblikken later verschijnt hij weer.
Ditmaal met een mandje brood,de menukaart en gekleed in een colbert
met daaronder een rode spencer en daarboven een glimlach.
Hij verontschuldigt zich voor zojuist, maar had geen gasten meer
verwacht en had zich wat ongemakkelijk gevoeld.De man blijkt uiterst
aimabel.
Hij neemt me mee naar de wijnkelder en laat me in goed vertrouwen
achter tussen al die italiaanse kostbaarheden om een mooie fles
uit te zoeken bij het eten.
Terug aan tafel blijken er toch nog andere gasten te zijn gekomen.
Een groepje jongelui, gekleed volgens de laatste italiaanse merkenmode
met precies de juiste labels van het juiste merk op de juiste
plaats.Firmataheet dat hier,geloof ik.
Buiten stopt een auto in de druilerige regen.
De chauffeur stapt uit en houdt het achterportier open voor zijn
passagier;een chique rijzige heer.
Als ze binnentreden springt onze ober in de plooi en stamelt:
-Buona Sera,Signor il Ministro!Entra !-
De minister gaat een paar tafels verderop zitten met zijn volgzame
chauffeur en bestelt kreeft en een fles Krug Vintage Champagne
uit 1985.
Geen slechte combinatie,denk ik bij mijzelf.
Intussen wordt het groepje naast ons steeds luidruchtiger,zeker
als ze bemerken dat il ministroaan een belendend tafeltje
zit.
Onze hoofdgerechten worden opgediend.
Klassieke smaken zoals ze waarschijnlijk al vele tientallen jaren
smaken,nog niet onderhevig aan fusion-cooking of andere moderne
light-varianten.
Goed gegrild vlees met rozemarijn,salie en basilicum als zekere
kruiden.
Naast ons wordt de bestelling opgenomen.
De minister heeft hen zeker op een idee gebracht want iedereen
kiest voor kreeft.
-Iets drinken erbij?-
-Cola-
-Cola.-
-Cola.-
-Cola.-
-Cola.-
Ogenschijnlijk onaangedaan vraagt de ober:
-Zal ik de fles dan maar op tafel zetten?-
maar zijn stem verraad een grote tegenslag.
Kreeft met cola?
Bij de gedachte springt het glazuur al van mijn tanden.
De minister neemt ondertussen twee happen en een slok champagne,veegt
zijn mond af aan zijn servet en loopt weg.Zijn chauffeur springt
op als een duveltje uit een doosje en spoedt hem achterna om op
tijd te zijn om het portier open te kunnen houden.
Bij de uitgang mompelt de minister nog even dat het fantastisch
was,zoals altijd,en weg zijn ze.
Ik besluit dat het voor ons ook beter is om op te stappen voordat
de gevreesde combinatie naast ons zal verschijnen.
In het weggaan passeer ik de tafel van de minister en kan de verleiding
niet weerstaan:
Ik pak het glas en neem een flinke slok.
Ahhh,wat een mooi besluit!
De ober heeft alles gezien maar vertrekt geen spier.
Vriendelijk laat hij ons uit want zijn avond kan niet meer stuk:een
fles Krug Vintage voor hem alleen.
Daar durf ik een colaatje om te verwedden!

Kreeften en slabben,
Daphne Aalders
Ik zat eens op een boot die op de Oosterschelde
dobberde en naast mij stond een man met een emmer. De emmer zat
vol oesters en elke keer als ik er een op had, opende hij een
nieuwe voor mij. Toffe gast. Toen de oesters op waren ging ik
aan wal om in te schepen op een andere boot. Daar zat een collega
en toen hij zag dat ik, in tegenstelling tot hem, geen bordje
kreeft had ging hij onmiddellijk voor mij regelen dat ik ook een
bordje kreeft zou krijgen. Ik zei pas later dat ik op de andere
boot mijn kreeft al op had maar het zou onbeleefd zijn geweest
hem in zijn galantheid te hinderen. Van kreeften en oesters kun
je trouwens niet genoeg eten. En zo, recht uit het water, zonder
sauzen en tierlantijnen zijn ze het allerlekkerst. Het seizoen
van de Zeeuwse Oosterschelde kreeften is maar kort. Vier maanden.
Van april tot juli. De bedoeling is dat de vrouwtjes met eitjes
terug overboord gezet worden om nageslacht te garanderen. Zoals
dat gaat in de handel kom je uiteraard vaak genoeg zwangere vrouwtjes
tegen. Maar het idee van bescherming en populatieverzekering is
goed en mijn steun hebben ze, Oosterschelde kreeft is een prachtig
product. Ik ging met mijn kreeft aan een receptietafel staan.
Zo'n hoge tafel die het mogelijk maakt om bij wandelende buffetten
tegelijkertijd te eten, te drinken en conversatie te voeren. Al
etend en van mijn champagne slurpend converseerde ik met mijn
tafelgenoten, een bejaard stel dat culinaire persconferenties
afdweilt en met de pink omhoog alles naar binnen werkt waar ze
de hand op kunnen leggen. De dame verzuchtte dat het een verademing
was in de buiten lucht en op een boot kreeft te eten want dan
kon je dat ongegeneerd met de vingers doen terwijl je in restaurants
(zij gingen zogezegd altijd naar de `betere restaurants') altijd
zit te prutsen met tangen en vorkjes en de helft moet laten liggen.
Het soort van mens om op te pakken en overboord te zetten. Ik
ken geen restaurants die het niet volledig opeten van een kreeft
zouden toejuichen. Ik ken er wel die zodanig met kreeft werken
dat er daadwerkelijk niets te prutsen valt omdat al het vlees
vakkundig uit het pantser is gehaald en in een adembenemende compositie
op jouw bord is gebracht, de begeleidende saus gemaakt van al
datgene wat je niet direct te eten kreeg. Het mens moest eens
weten dat, jaren later dus ik kon het haar toen nog niet vertellen
en nu is ze vast dood, mij de lekkerste kreeft die ik ooit heb
gegeten in een plastic emmer werd geserveerd. Met daarbij een
plastic bord voor het afval. Voor de tang en de kreeftenvork van
metaal moest ik borg betalen. Teveel kreeftenvorken werden door
Amerikanen die dat zo gewend zijn met de andere restanten van
hun lunch in de vuilbak gesmeten. Van een kreeftenslab hadden
ze in dit `road restaurant' op Cape Cod nog nooit gehoord. Terwijl
ik ongegeneerd en onbedaarlijk en met volle overtuiging van mijn
perfect kort gekookte kreeftje zat te smullen, aan een lange tafel
met daarop een rood wit geruit plastic tafelkleed, van de straffe
zeewind afgeschermd door een doorkijk zeildoek vertelde ik de
allerliefste van die keer dat ik een kreeft at in een gerenommeerd
restaurant in het Gentse dat ik moest bespreken voor de één
of andere resto gids. Ik was alleen, het overige cliënteel
was uitsluitend mannelijk en zonder iets te zeggen kwam de gastvrouw
op mij afgestruind en bond mij, ik had nooit eerder zo duidelijk
het kinderstoel gevoel ervaren, eigenhandig een kreeftenslab om.
Het verpeste meteen mijn kreeftenmaal. Een kreeftenslab is handig,
maar je bind hem zelf om! De kreeft zelf was door de chef ook
vakkundig om zeep geholpen. We leefden in het tijdperk van zwarte,
decoratief met poeder bestrooide borden en deze chef had kwistig
met de kerriepot geschud. Ik heb van die kreeft niets anders geproefd
dan Madras.

A La Nage
Sjors Hoppenbrouwers
Amsterdam Centraal Station, vrijdag 16 december
12.40 uur.
Op het verlaten perron staan parmantige Thalys vanen
in roestvrijstalen houders in de stevige wind die door het station
jaagt. Een trolley achter me aanslepend wacht ik ongeduldig op
de trein die me naar Parijs zal brengen. Het perron glinstert
van de middagkou die als een vlies alles in zijn net gevangen
houdt. Enkele Amerikanen lopen luidruchtig langs me en ik vang
flarden op van een
.. beautiful Paris
. Om vijf over een komt de trein het station binnen, enkele minuten
vertraagd. Mijn lichaam voelt in en in koud en gehaast meld ik
me bij de treinsteward die mij geduldig mijn gereserveerde plaats
aanwijst. Ik nestel me in mijn stoel in de heerlijk verwarmde
coupé. Voor de reis van enkele uren heb ik wat tijdschriften
meegenomen en voldaan kijk ik naar buiten.
Zonder dat het me eigenlijk opvalt is een vrouwpersoon
schuin tegenover me neergeploft. Ik knik beleefd en ga verder
met het bestuderen van de late en gehaaste instappers.
Als de trein dan eindelijk vertrekt jaagt een winterse
bui de trein het station uit. Ik neem de vrouw even in me op.
Ze is jong en mooi. Gekleed in een donkerblauwe corduroy pantalon
met daar onder donkerbruine suède loafers. Een crèmekleurige,
zijde blouse maakt het af. Haar halflange, koffiebruine haar is
opgestoken. Het frêle gezicht is lichtgetint zoals ook haar
handen, tanig maar mooi in zekere zin . Haar blik is mat en afwezig.
Naast haar op de bank liggen enkele boeken en een aantekenmap.
Ze staart naar buiten terwijl de trein aan snelheid wint en bijt
op de ballpoint wachtend op een inktinjectie aan inspiratie, zo
lijkt het.
De trein glijdt over het Hollands Diep een lichtgrijs
landschap in dat in de verte diepgrijze en oliegroene tinten vertoont.
Buiten jaagt inmiddels de sneeuw langs de trein. Een gevoel van
behaaglijkheid overvalt me en ik overdenk het doel van mijn reis.
Ik moet weggedommeld zijn want Antwerpen-Berchem
schiet voorbij. Ik heb trek in iets pittigs. De buffetwagen is
twee wagons verder, herinner ik me. Mevrouw, kunt u even
op mijn spullen letten, ik wil koffie gaan halen , zeg ik
tegen mijn reisgenote. Ze lijkt in gedachten verzonken . Verward
kijkt ze op: Eh, ja hoor geen probleem , zegt ze
met een accent dat een afkomst verraadt uit Nijmegen of Den Bosch.
Mag ik u dan als tegendienst iets aanbieden , zeg
ik spontaan. Een espresso graag , is het antwoord
.
Bruxelles wordt er omgeroepen als ik
terugkom met twee espresso's. Ik geef haar het bekertje aan en
steek mijn rechterhand uit. Aangenaam, Sjors Hoppenbrouwers
, zeg ik eigenlijk te formeel. Een ranke hand raakt de
mijne Nikki Houben , zegt ze met een warme stem.
Ik vraag haar naar haar bestemming die, als de mijne,
Parijs is. Ik vertel haar dat ik voor zaken op weg ben naar een
collega. Ik had een vraag verwacht waarom, maar deze blijft uit.
Ze legt uit dat ze werkzaam is als sous chef in het Grand Hotel
in Amsterdam in restaurant Le Jardin . Een vrouwelijke
kok kom je niet vaak tegen en zeker niet een die werkt in een
met ** bekroond restaurant. Ik heb een afspraak met Pierre
Gagnaire. Zegt die naam u iets? , zegt ze inmiddels met
meer enthousiasme. Die naam heb ik wel eens gehoord ,
zeg ik quasi onnozel en vraag haar wat er zo bijzonder is aan
deze man. Vol overgave volgt een dissertatie over een van de beste
en belangrijkste chefs van dit moment.
Er volgt een relaas over de complexiteit van smaken
en zintuigen. Enthousiast laat ze me haar aantekenboek zien waarin
krabbels van recepten, ingrediënten en schetsen van hoe de
gerechten op te maken.
Ik ben bezig met een gerecht waar ik qua
smaak niet uitkom .
Oh , zeg ik verbaasd. Ik krijg
niet de juiste diepte en essentie en ben er al weken mee bezig;
het is een obsessie aan het worden . Gepassioneerd vertelt
ze me over een combinatie van een terrine van komkommer met kalfswang
die ze wil vergezellen van een sterk gereduceerde fumet van zeetong
met gefrituurde goujonettes van tongfilet en een mousse of coulis
van cantharellen. Het is juist de fumet die ik maar niet
afgestemd krijg, zegt met een zucht. Misschien moet
je wat anders proberen, zeg ik kordaat.
Dat kan niet, aarzelt ze even en ons
gesprek krijgt een onverwachte en intieme wending. Zonder gêne
vertelt ze over een familiebijeenkomst van twee weken terug. Haar
hele familie van dokters, advocaten en aangetrouwden heeft altijd
wel wat aan te merken over haar beroepskeuze en haar gedrevenheid
. De bom barstte toen ze tijdens het door haar schoonzus gekookte
diner opstapte met de woorden: je mag dan wel met mijn broer de
advocaat getrouwd zijn, koken kun je niet dus blijft er maar één
talent over
. Maar er was meer die week.
Tot overmaat van ramp stuurde haar vriend de beeldhouwer,
de schrijver, de fotograaf, de 13 ambachten kunstenaar, diezelfde
avond een sms-je , dat hij last minute gevraagd was door Anton
Corbijn om te assisteren bij de fotografie van de Europese tour
van Depeche Mode .
Hij zou nog laten weten waar hij naar toe ging.
Ze had hem twee maanden geleden ontmoet tijdens
een opening in de Kunstfabriek, waar zij voor het hotel de catering
verzorgde ; het was love at first sight. Veel tijd had ze niet
gehad voor hem. Hij was trouwens ook druk met fotograferen die
avond, maar was haar toch komen vragen voor een foto voor een
schilderij met een kreeft, dat zij erg mooi vond. Peter van Dijk
was drie jaar jonger en een dromer. Zij had als achtentwintigjarige
een doel, terwijl Peter al van alles had geprobeerd. Dat was ook
een item geweest tijdens de familiebijeenkomst.
De week was geëindigd met een heftige confrontatie
met haar chefkok Wilo van Le jardin Ze besloot toen
om alles maar eens even achter haar te laten en zich te concentreren
op haar zoektocht naar smaak.
Gare du Nord 17.05 uur.
Voordat we het beiden beseffen staat de trein stil
op het eindpunt. Heb je nog zin om wat te drinken bij Terminus
Nord , zeg ik spontaan en geïntrigeerd door deze vrouw.
Lijkt me wel leuk; ik kan wel een borrel gebruiken,
is het antwoord.
We steken het besneeuwde plein over en een ijzige
wind duwt ons de brasserie in.
We kiezen een tafel aan het raam. Een formele ober
komt vragen of we iets willen drinken. Het worden twee glazen
Riesling. Ik heb best trek in een klein hapje , probeer
ik haar aanwezigheid te rekken. Ga je gang, zegt ze
als op dat moment haar mobiele telefoon gaat .
Peter waar zit je. Berlijn ?? Ik
.hoe
kun je
..had moeten uitleggen
... Inmiddels is
ze opgestaan en met een rood hoofd vervolgt ze naast het hommarium
het telefoongesprek.
Ik luister niet meer mee en bestel voor mezelf een
half dozijn creuses, voor de souschef, afgaande op haar verschijning,
écrevisses à la nage en nog twee glazen wijn. Sancerre
wel te verstaan.
Het telefoongesprek gaat in alle hevigheid door
terwijl ze drukgebarend haar verhaal ondersteunt.
Inmiddels zijn de gerechten gearriveerd en als ze
weer aan tafel verschijnt, verbleekt ze bij de aanblik van de
rivierkreeftjes. Haar ogen worden vochtig als ze uit haar tas
een Kodak foto haalt met daarop een lachende Nikki in koksbuis
voor een schilderij. Ze houdt twee handen boven haar hoofd zodat
het lijkt alsof de porseleinen kom met kreeftjes op haar hoofd
staat. Peter heeft deze gemaakt in de Kunstfabriek ,
stamelt ze, grijpt haar weekendtas en vlucht het restaurant uit
over het plein terug naar het station.
De ober verschijnt stoïcijns aan tafel.
Femmes, probeer ik nog en minzaam verdwijnt hij. De Kodak
ligt nog op tafel. Ik draai hem om en lees: Van Peter voor de
cuisinière van mijn leven en XXX.
Na de oesters en de verplichte rivierkreeftjes neem
ik een taxi nadat ik telefonisch contact heb gehad met Pierre
Gagnaire met het verzoek hem kort te mogen spreken; wat niet eenvoudig
bleek. Bij aankomst bij het restaurant van de Grote Chef wordt
ik begroet door de meester zelf. Ik leg hem kort uit waarom Nikki
er niet is en haar streven naar de perfecte balans in een gerecht
dat haar al weken achtervolgt. Hij biedt mij een glas Reuilly
aan. Van de wijngaard van mijn ouders, zegt hij met
een twinkeling in zijn ogen. Wonderlijke geuren bereiken mijn
neusvleugels : beetje Pouilly Fumé , een zweem Chablis
en iets van Sancerre. Goed hè ? , zegt hij
zelfvoldaan.
Zuchtend vervolgt hij : Ah, jong zijn .
Hij denkt even na en pakt een zilverkleurige vulpen. Terwijl hij
schrijft legt hij me uit dat ze op de goede weg was, maar dat
de balans van een dergelijk gerecht een ander dimensie en diepte
vereist : Graten van tarbot, licht ingesmeerd met hazelnotenolie
en licht gekleurd in de oven met een kleine brunoise van groenten
als basis voor een nootachtige, karamel gekleurde visbouillon.
Afmaken met in visfumet gepocheerde parels van gezouten opgeklopt
eiwit, iets kreeftenolie, flinterdun gesneden truffel en wat ragfijn
gedroogde zeste van limoen. Zelfverzekerd kijkt hij me aan om
zich vervolgens met een glimlach te excuseren; de avond wacht
alsmede zovele gasten.
Die jonge dame zou ik wel eens willen ontmoeten,
ze heeft interessante ideeën , zegt hij bij het afscheid
en drukt me stevig de hand.
Buiten gekomen sta ik met stuk papier in de hand
nog even na te denken. Ik haal mijn mobiele telefoon tevoorschijn
en bel Alain Frémiot van Michelin dat ik iets later kom
voor mijn afspraak . Ik zou op uitnodiging van de Fransen als
Nederlandse inspecteur een aantal dagen meelopen met enkele Franse
collega's als een soort stage.
Vervolgens bel ik een tweede nummer. Duco , hoor
je me. Je moet als een speer uitzoeken hoe laat de trein
uit Parijs aankomt en zorgen dat je vanavond op het station in
Amsterdam staat .
Kort leg ik hem mijn ontmoeting uit met Nikki Houben,
mijn bezoek aan Pierre Gagnaire en dat een dergelijk culinair
talent te waardevol is om te laten lopen. Neem desnoods
een fles champagne mee, maar doe iets , schreeuw ik in de
telefoon. Duco is directeur van het prestigieuze Grand Hotel en
we zijn al jaren bevriend.
Amsterdam 24 december.
Weer terug in Amsterdam zit ik op Kerstavond achter
mijn bureau een verslag te schrijven van mijn Frans stage, vergezeld
van een goed glas wijn .
Om half negen gaat de telefoon. Hallo met
Nikki Houben klinkt het. Opgewonden vertelt ze, dat ze,
nadat ze de brasserie was uitgerend, de eerste trein heeft teruggenomen
naar Amsterdam omdat Peter die avond om 22.00 uur een vliegtuig
uit Berlijn kon nemen. De volgende ochtend zijn ze, bij wijze
van bekrachtiging van hun liefde, naar de Kunstfabriek gegaan.
Maar hun schilderij was weg. Ook vertelt ze dat
Duco met een bos bloemen en champagne op het station stond en
haar naar Schiphol heeft gebracht om Peter op te wachten. Van
Duco had ze mijn telefoonnummer. De ruzie met de chef is inmiddels
bijgelegd en ze is weer aan het werk. Heb je die Gagnière
nog gebeld , zei ik. Ja en hij vertelde dat u voor
mij bent langs geweest. Wat aardig van u .
Zuchtend vervolgt ze : Ik vind het echt jammer
dat het schilderij er niet meer hangt, ik had er zo graag samen
met Peter nog een foto van willen maken.
Glimlachend antwoord ik: Ik heb nieuws voor
je en een verrassing, schuin over mijn bril kijkend naar
mijn kersverse aanwinst aan de muur.

De verdoofde kreeft , Servaas Scholten
We staan zij aan zij voor het aanrecht. Voor ons
een stevige doos met daarin een stuk of vier grote grijsbruine
Canadese kreeften, via een bevriende restaurateur gekocht bij
Dutch Canadian in Zutphen. We gaan de kreeften schoonmaken voor
in een mooie salade.
Mijn dochter Petra pakt een kreeft en draait zich
naar mij. Ik weet dat haar stem wetend zal klinken.
Kijk, pap, zegt ze en duwt het beest zowat onder mijn
neus. Ik hou van schrik mijn hoofd wat naar achteren. Haar blik
vind dat ik me niet moet aanstellen. Die dieren hebben ook
gevoel, die kun je niet levend en wel in het kokend hete water
gooien. Dat is dierenbeulen. Daar heb ik iets op bedacht. Stel
dat ik zo nou eerst een beetje verdoof. Dan is dat kookwater zo
meteen meer een warm bad voor ze en dat vinden ze misschien prettiger.
Hoe verdoof je een kreeft, Petra?
Achter haar rug haalt ze een flinke injectiespuit vandaan.
Hier zit wat van jouw malt whisky in. Dat injecteer ik.
Worden ze gelijk al een beetje gemarineerd met die rokerige smaak.
Ze knipoogt.
De injectiespuit zoeft met de in het licht flikkerende naald vlak
langs mijn gezicht. Ze zet hem in de buik van de kreeft en het
wordt zwart voor mijn ogen. Ik zak onderuit en knal met mijn achterhoofd
op de koude tegels. Ik denk nog: O jee, ik red dit niet, en ben
weg.
Petra en ik zijn bij collega Prins, KNO arts. Hij
werkt in hetzelfde Ouderijn Ziekenhuis in Utrecht als waar ik
gesteriliseerd ben. Toen de collega destijds met een snelle beweging
mijn zaadleiders had doorgeknipt, behoedzaam mijn zak had dichtgenaaid
en ik redelijk monter mijn vrouw en dochter opzocht, Petra was
toen een jaar of vier, zei dat kind in de volle wachtkamer met
haar waterklaterstem: Nou hebben we alledrie een kutje,
hè mam? Altijd een leuk verhaal voor op familiefeestjes
geweest.
Collega Prins kijkt in het rechteroor van mijn dochter. Ze heeft
veel last van het vocht dat zich heeft opgehoopt.
Dat buisje moet er uit. Ik kan het nu doen met plaatselijke
verdoving of Petra moet terugkomen en dan gaat ze helemaal onder
zeil.
Allebei kijken ze naar mij.
Ik zou het nu maar doen, meid. Dan ben je er vanaf,
zeg ik, ook omdat ik geen zin om er voor terug te komen.
Ze zwijgt nog steeds en kijkt met trouwhartig aan. Wachtend op
mijn geruststellende `nee, dat doen we later'.
Weer al die rompslomp. En je bent nu toch al een grote meid?
Goed dan.
Prins zet haar in een stoel.
Hou jij haar goed vast?
Ik sla mijn armen om mijn 12-jarige dochter en zeg sussende woordjes.
Ze rilt van spanning. Stil maar, moppie. Het is zo gebeurt.
Ze blijft rillen.
Op het laatst ziet ze vanuit haar ooghoek de naald die haar oren
bijna heeft bereikt. Ze kijkt mij in een flits verwijtend aan
en zakt weg. Ik schrik en roep:
Neenee, niet weggaan. Hier blijven, Poekie.
Prins haalt intussen het buisje er uit en houdt het me voor.
Het zat er scheef in.
Ik pak Petra op en breng haar, nog altijd in katzwijm, naar de
kamer ernaast en leg haar op een behandeltafel. Zachtjes maar
dwingend begin ik haar te aaien. Ze komt snel bij.
Waar ben ik, wat is er gebeurd?vraagt
ze met paniek in haar hoge stem.
Ik leg het zo goed mogelijk uit, met bloedend hart. Hoe kon ik
haar nou zo gevoelloos overhalen? Twee volwassen artsen tegenover
één twaalf jarig meisje.
Dan droom ik dat ze daar ligt, op een verlaten strand in Thailand.
Grote reuzenkreeften met ogen zo groot als sinaasappels benaderen
haar omzichtig. Ik probeer haar te waarschuwen maar mijn gepiep
dringt niet tot haar door. Bovendien verschijnen aan de rand van
het strand, in de schaduw van de bosjes tussen de palmbomen, fors
gebouwde mannen met enorme bovenarmen en tatoeages overal, zelfs
op hun voorhoofd. Ze kijken fronsend mijn richting uit. Heb
ik het gedaan?zeg ik, maar ze horen niks. Moeten jullie
je niet met die kreeften bezighouden? roep ik hard. Ik wijs
een paar maal met mijn hoofd richting de plek waar ik mijn dochter
veronderstel. Ze beginnen te lachen. Als ik achter me kijk waarom,
zie ik dat mijn dochter bestegen wordt door zo'n rode gigant.
Hij stopt iets in haar geslacht. Dat is veel te groot,
roep ik, maar wat weet ik?
Terwijl de kreeft duidelijk zichtbaar paarbewegingen
maakt, met een gigant van een sigaret tussen zijn kaken, tast
hij met een van zijn scharen losjes Petra's bovenlichaam af en
knipt in een flits haar bovenstukje los. Ik begin te gillen. `Dat
mag toch niet? Godverdomme!
Dan graaft hij zonder merkbare inspanning in haar borst en trekt
haar het hart uit haar ribbenkast en houdt het triomfantelijk
in de lucht. Er zwelt een applaus op. Ik krijs nu uit alle macht.
Petra trouwens ook. Samen klinken we nog zo slecht niet. Ik heb
er genoeg van en vlieg op in het lichter wordende blauw.
Als ik mijn ogen open doe, is het licht fel. Petra
heeft haar gezicht vlak bij het mijne.
Hé, mijn pappietje. Niet weg gaan, dat hebben we
niet afgesproken. Jij bent toch een grote jongen? Een arts die
niet tegen een injectienaald kan, ik zou er maar niet met je collega's
over lullen, als ik jou was. Wat kan jij trouwens rare piepgeluidjes
maken als je weg bent, zeg.
's Avonds zitten we aan een heerlijke salade d'homard.
Ik kijk haar glimlachend aan. Zonder veel woorden kunnen we aardig
praten.
Meer voor de vorm zeg ik:
Ik geloof dat ik de malt proef.
Ze glimlacht en heft haar Blanquette de Limoux, die zo fluweel
zacht smaakt bij de knapperig verse kreeft.

Culinaire Overpeinzingen, Ab Bos
Innerlijke strijd, gevecht tussen culturen, botsingen
van smaken. Hoe breng ik orde in mijn smaakherinnering? Kan ik
al die smaken, geuren, associaties en impressies rangschikken?
Kook ik wel zuiver? Of, is mijn culinaire uiting een mix, het
beste van twee werelden, of slechts een ratjetoe, dat uitsluitend
door mijzelf wordt begrepen? Al jaren worstel ik met deze vragen.
Ik zie de tafel nog voor mij. Nog geen vier jaar
oud en bedwelmd door de geuren die oprijzen van de kleurige schotels
met onbekende gerechten. Ik ben gefascineerd. De bonte mix van
jaren vijftig porselein, schalen uit Java en bestek van Jokja
zilver en plastic. Het mooie tafellaken, de papieren servetjes.
Mijn overgrootmoeder die rond de tafel danst en af en toe iets
van de schalen pikt: "Adoe, lekker Meis. Lang niet gegeten."
Dan komt mijn oma uit de keuken met een grote grijze schaal met
Chinese tekens in het blauw, van boven tot onder gecraqueleerd.
Hij lijkt elk moment te kunnen bezwijken onder het gewicht van
de rijst. Mijn eerste bewuste smaakherinneringen worden geschreven.
De volle geur van de oude familierecepten. Sereh, laos, trassi,
verse lombok en de bedwelming van warme kokosmelk.
Onwennig draai ik de parkeerplaats op. Zijn silhouet
staart door het raam op de bovenverdieping. Een indringer voel
ik mij haast, nu bijna 14 jaar na mijn eerste herinnering. Heb
ik voldoende kennis deze machtige man te begrijpen? Wat wil hij
uitdrukken met zijn gerechten? Ik treed voor de eerste keer in
mijn leven een culinaire tempel binnen en ben compleet geïmponeerd
door alle pracht en praal, de stoet aan bedienend personeel en
de fonkelende tafels met kandelaars, kristal en zilver. De kaart
is te groot om te bevatten, de gerechten te talrijk. Hoe hieruit
te kiezen? En, vooral wat? Een lichte paniek maakt zich van mij
meester.
Rustig word ik bij de hand genomen door mijn tafelgenoot.
Snuif de geur van verse truffel op, proef de aardse tonen
van de morilles in die saus, voel hoe boterzacht kip kan zijn,
ervaar de weerstand en structuur van die kleine kreeftjes. Die
machtige kreeftjes met iets zoets, iets jodiumachtigs, veerkrachtig
maar niet taai. Zij geven hun geheim niet zomaar prijs.
De uitleg hoe aards deze keuken is, terroir gericht,
en uitsluitend gebruik makend van de mooiste regionale producten
heeft diepe indruk op mij gemaakt. Wederom werd ik gepakt door
de magie van geur en smaak. Opgeslagen in mijn geheugen zou ik
deze nog vaak gebruiken.
Voordat we vertrekken lopen we nog langs de keuken.
Daar staat hij, zwarte lakschoenen, groot, gesteven sloof, onkreukbaar
na een drukke service met een, in mijn optiek, metershoge toque.
Paul Bocuse.
Het feit dat toen ik enkele jaren later een frequent
bezoeker werd van de Parijse restaurants in de tijd dat ik daar
woonde en werkte, heeft mijn smaak verder ontwikkeld. Ik was erg
gecharmeerd van de technische perfectie van Senderens, zijn duif
is onnavolgbaar met een perfecte cuisson. De experimenten van
Passard en Gagnaire. Natuurlijke smaken op een verrassende manier
samengesmolten tot perfecte creaties. De choucroute van LAlsace
met de imposante vleesgarnituren en vergeet vooral Au pied
de cochon niet. Ik heb hier menig varkenspootje, gebakken
lever en schitterende charcuterie tot mij genomen na een avond
flink doorhalen in het uitgaansleven. Langzamerhand werd ik een
culinaire snob.
In de tijd dat ik menig gerespecteerde Franse keukenvirtuoos chef
mocht noemen heb ik herhaaldelijk mooie sier gemaakt met de oude
familierecepten. Zij waren geïmponeerd door de complexiteit
aan smaken die samensmolten tot een perfecte harmonie, ik door
het minimalisme van hun keuken waarmee zij hetzelfde bereiken.
Vaak hebben we gesproken over de verschillen en de onderlinge
overeenkomsten. Lange discussies over traditie, techniek, textuur,
structuur, opbouw, geur en smaak. Vooral smaak! En wederzijds
respect.
Opgegroeid met de geuren en smaken van Indonesië,
volwassen geworden met de Franse keuken. Ik heb door schade en
schande geleerd dat deze twee keukens niet te mixen zijn zonder
de essentie te verliezen.
Nog steeds sta ik open voor experimenten. Gerechten
ontwikkelen is het mooiste dat er is. Maar, twee keukens bij elkaar
voegen en denken dat je een runderhaas met rendangsaus en gesouffleerde
aardappelen kunt serveren is er niet meer bij. Hooguit een ondersteuning,
een verrassend effect, een klein beetje spanning, waardoor een
ware liefhebber van culinaire genoegens zich afvraagt wat dat
nou is, maar het niet kan benoemen. Mijn kookziel zal altijd tweeledig
blijven. De ene keer overhellend naar de ene kant, de andere keer
weer terugkerend naar de andere. Een gevecht in mijzelf voortkomend
uit kennis en onzekerheid.
Het is al veel gezegd. Eten is emotie.
Maar zonder (smaak)herinneringen, zonder verrassingen, zonder
spanning en zonder open te staan voor andermans ideeën bestaat
die emotie niet en kun je niet genieten van al die schitterende
gerechten waar men soms jaren op zwoegt om tot perfectie te komen.
Maar soms, opeens, heb je zon geweldig verlangen
naar iets dat niet als culinair perfect wordt beschouwd. Een frietje
met mayonaise én pindasaus. Een pizza met een te dikke
bodem, gewoon omdat je er trek in hebt.
Het vermogen culinaire keuzes te maken en op waarde
te schatten is een groot goed. Maar, wanneer kun je dit nu werkelijk?
In mijn opinie nooit. Je kunt geen liefhebber zijn van alle stromingen
en van alle tijden zijn. Fernand Point en Ferran Adria zijn onvergelijkbaar
en van onschatbare waarde voor de ontwikkeling van stijl en smaak
voor de generaties na hen. Beiden voorlopers in hun tijd, beiden
geïmiteerd, begrepen en onbegrepen, verguisd en geprezen.
Toch scheelt de triomf niet meer dan vijftig jaar. Een prachtige
discussie over verschillen en overeenkomsten waardig. De uitkomst
zal verschillen naar gelang de leeftijd en ervaring van de deelnemers,
de culinaire opvoeding en vooral door het vermogen open te staan
voor vernieuwing en deze in de historische en maatschappelijke
context te plaatsen.
Maar ach, wat geeft het eigenlijk? Het beleven van
culinair plezier op je eigen wijze is van alle tijden en ondefinieerbaar.
En vooral ongrijpbaar bevredigend.
Een culinaire snob ben ik niet meer. Langzamerhand
begin ik te begrijpen dat ik niets anders ben dan een paar rivierkreeftjes
in een rijstkom. Of is het nu toch een rijstkom met een paar rivierkreeftjes?

|