Homepage
    Wat zit er in uw eten?
    Gidsje bestellen
    Nieuws
    Abonnement
    Proefabonnement
    Losse nummers
    Bouillon en France
    Ambassadeur
    Bouillon English
    Boeken
    Totaalpakket
    Wat is bouillon?
    Adverteren
    In de media
    Links
    Contact
    Recepten
   

Tips&Trics


Will twittert

 

   
    NETWERK IN GASTRONOMIE EN GASTVRIJHEID

 

  Award
    Bouillon! wint prestigieuze Award!


  Adresgegevens
   

Correspondentie en redactieadres:
bouillon!
Iepenlaan 55
3723XE Bilthoven
030-2280315


 Caulils, Haarlemmerstraat 115, Amsterdam

 

(Dit artikel werd gepubliceerd in het winternummer 2005)


 

Caulils Delicatessen
'Mijn winkel is mijn manier van leven'

tekst Diny Schouten foto Bert Bulder

Ex Vrij Nederland journalist Diny Schouten, nu paté en worstenmaker, loopt liefst dagelijks als een verliefd schoolmeisje de winkel van Maarten van Caulil binnen. Daar aan de Haarlemmerstraat bloeide een mooie liefde op uit hopscheutjes.

Maarten van Caulil denkt dat hij onze kennismaking zelf in scène heeft gezet door me via een tussenpersoon zomaar een kostbaar zendinkje hopscheutjes te laten bezorgen. Hij had ze zelf meegebracht, ongetwijfeld uit Watou of Poperinge, West-Vlaanderen. In de rest van West-Europa is de wonderschone teelt van hop net zo uitzonderlijk geworden als die van vlas of meekrap. Maarten van Caulils winkel, 'Caulils Delicatessen', drijft op zulke handgedolven schatten, frequent meegebracht door net zo door goudkoorts bevangen bevriend-geworden klanten en klant-geworden vrienden. Zo'n winkel als van hem is er voor gemaakt om een kring van geïnteresseerden om zich heen te verzamelen, die vervolgens worden aangestoken om óók overal waar ze komen hun neus achterna te gaan en hem ergens in te steken - zo wordt er steeds meer bijzondere eetwaar de winkel in gesleept, van Maldon-zeezout tot de Toscaanse verse salcisse - wat is het toch dom dat een goeie saucijs praktisch onvindbaar werd!

Met de groei van het assortiment wordt de pret van de winkel telkens nog groter, en heb je nóg minder reden om terwille van je voedselvoorziening in zo'n duffe, eetlustbedervende kassa-rij van Albert Heijn te gaan staan. Het is de vraag óf het wachten bij een winkel als die van Maarten - waar ze niet altijd met z'n tweeën kunnen staat, 'je moet het in je eentje afkunnen' - langer duurt. Maarten heeft er een verkoopbevorderend trucje voor, dat het wachten minder lang doet lijken - of de moeite waard maakt. Doordat er altijd wat moet worden afgesneden, wordt aan alle aanwezigen een proefje gepresenteerd, en daar trekken dan de wachten het volle profijt van - zowel van het proeven als van het iets beleven en het eventuele óók aanschaffen. Met deze heruitgevonden klassieke kruideniersmethode vóelt Maarten zich ook een echte slimme kruidenier, want het blijft zo aardig (en knus!) dat zijn mes aan alle kanten snijdt.

Niets verkopen dat voorgesneden is, zelfs geen stukken kaas die vooraf in stukjes zijn gevacumeerd: dat éét allemaal niet. Dat principe is voor Maarten van ijzer, en soms moet worden uitgelegd waarom. Ook een ander, even ouderwets kwaliteitsbehoudend principe moet door sommigen worden herontdekt: dat niet alles er altijd kan zijn, allereerst al niet omdat er seizoenen bestaan die koken zo boeiend maken. Als zich ergens het wonder voordoet van hoogwaardige kwaliteit, bestaat die door de toewijding van een kleinschalige producent, zodat ook de distributie kostbaar is. Inmiddels zijn onder Caulils-klandizie de in olijfolie gefrituurde Spaanse aardappelchips befaamd geworden. Een continue aanvoer ervan stuit op de moeilijkheid dat de kosten alleen tegen de baten opwegen als de producent ze met een grotere zending charcuterie van een bevriende worstmaker kan laten meeliften. Eten is altijd een kwestie van 'logistiek', en wie daar eenmaal over na gaat denken, ziet in dat 'de logistiek' van voedsel - de koelauto's steeds gigantischer, de winstmarge nóg scherper opgeschroefd - inmiddels het assortiment van alle gangbare winkels zo bedroevend kaalgeslagen heeft.

'Logistiek' ging het met die zending naar mij mis: dat koninklijke cadeau van hopscheutjes heeft me nooit bereikt. Wat wel jammer is, want hopscheuten zijn 'de Rolls Royce onder de groenten.' Hoe vaak smaak je in je leven nu het genoegen van hun intens gronderige aroma? Ik herinner het me als iets tussen een vers opgedolven paddestoel en een vers afgestoken asperge in. Wat ik er door eens op onderzoek uit te gaan van wist - die zucht om er meer van te weten dreef Maarten geloof ik tot het leggen van contact - was dat het einde van de hopteelt het Zuid-West-Vlaamse gebied zijn welvaart had ontnomen, tot schade aan het landschap van de IJzer-vallei, want de schoonheid van 's zomerse velden met hop is iets spectaculairs. Voor de bierbrouwerij zijn hopbellen nodig, alleen hebben de oppermachtige Interbrews en Heinekens van deze wereld geen boodschap aan hun omgeving als het elders goedkoper te krijgen is. Hop wordt in Europa alleen nog in de Oekraïne geteeld. Gedroogde en geperste hop heeft weliswaar een groot deel van de hooiachtige aroma's verloren, maar gaat jaren mee, zodat met stevige voorraadvorming de prijs tot allerlaagste diepte kan worden gemanipuleerd. Nu wordt er wel inzake eten veel op 'Europa' gekankerd, maar er is toch ruimhartig Europese 'Leader+'-subsidie verleend om de Poperingse hopteelt - in samenwerking met een paar lokale, ambachtelijke brouwerijen - nieuw economisch perspectief te bieden. De enkele hopteler die er zich nog wat mee staande wist te houden, had zich gespecialiseerd in monsterlijke - en desondanks toch erg gewilde - bloemstukken van hop. (Hier doemt het verband op met de Wet van Schouten: overal waar in winkelstraten goeie slagers, gedreven groenteboeren en excellente bakkers verdwijnen, nemen de decorettes hun plaats in - want eten mag geen geld kosten, maar de budgetten voor de woninghebbedingetjes zijn onbegrensd).
Eten gaat, als ik mijn zegje erover mag plegen, altijd over hoe en waar het gemaakt wordt, door wie, het kwaliteitsverschil tussen grootschalige of kleinschalige productie, over de relatie met het landschap, over het verband tussen smaak en bodem, over regelgeving, over logistiek, over globalisering.
Het pure bestaan van een winkel als die van Maarten brengt mensen bijeen die over eten praten, en die erover horen en weten willen, omdat eten ze fascineert. En praten over eten helpt, vind ik, om meer publiek te winnen voor eten dat die aandacht verdient.
De stadsbestemmingsverordeningen zitten in de weg om een plateau kaasjes of een bordje charcuterie samen met een glas wijn te verkopen, want op Maartens pand zit geen horecavergunning, en die krijgt hij daarom niet en nooit. 'Wie zouden we er kwaad mee doen?' vraagt Maarten zich af. Het spijt hem vooral dat hij zijn klanten niet ter plekke al kan laten genieten en ze verwennen: 'ik heb in de horeca veel in de bediening gewerkt, en ik vind dat een prachtig vak.' Een verdwijnend vak, wil hij zeggen, dat anders dan het koksvak ('koks zijn nu bijna popsterren') geen aantrekkingskracht meer heeft: 'kundige en prettige bediening maakt voor meer dan de helft uit of je in een restaurant fijn eet.'

Het 'behoud van goede smaak' is de 'Slow-Food'-gedachte waardoor ook Maarten begeesterd is. De 'Slow Food'-beweging doet een appèl op snob-gevoelens - in mijn ogen een tikje teveel ook - maar de beweging is zo ontzettend zinnig, juist omdat veel van de huidige eetmodes zo stompzinnig zijn. Voorbeeld: garnalen. Ik werd erg geraakt door wat een woordvoerder van Slow Food Italië onlangs in een interview zei ter gelegenheid van het tienjarig bestaan: dat je door je om het verlies van smaak te bekommeren tot je eigen verbazing zo'n beetje een milieuactivist wordt. Die woordvoerder gaf als voorbeeld de bodemvergiftigende gambakwekerijen die de kusten van Zuid-Oost Azië al hebben kaalgeslagen, nog vóórdat de tsunami dat nog eens dunnetjes overdeed. Zelf ben ik in landschappelijk en milieuopzicht ook drijverig geworden, al net zo'n rabiaat en bekeerderig als de eerste geitenwollensokken-vegetariërs van een jaar of dertig geleden. Ik voel me veranderen in een pastinakenvrouwtje dat alleen nog zelf-opgedolven wortelpeterselie blieft, dus laat ik me bij gelegenheid vaak door Maarten kalmeren. (Hij suste ook meesterlijk een hoogopgelopen meningsverschil over de boter van Nell van Leeuwen dat ik met de grote eetprofessor Johannes van Dam meende te moeten uitvechten)

Met mijn verhaal over de prachtige witte krombekboontjes die ik meebracht uit Lutjewinkel - handgelezen en met zachte schilletjes en de glans van parelmoer - kan ik als éérste bij Maarten terecht, want naar de smaak van zulke ongekende boontjes is hij even nieuwsgierig als naar de authentieke knakworstjes-in-schapesnaren van slager Ter Weele in Oene. (Voor een voorvechter van regionaal-gebonden smaak is Maartens topografische kennis niet sterk: hij veronderstelt dat zowel Lutjewinkel als Oene in Groningen liggen). Van die boontjes snapt hij dat ze even bijzondere bodemkwaliteit bezitten als de linzen die op de vulkanische aarde rond Du Puy worden geteeld. Nuffigheid kent hij niet: Drenthe of Twickel zijn in zijn ogen even interessant als de marmergroeven van Colonnata. Hij had dat ook voor ogen toen hij drie jaar geleden zijn winkel begon: geen specialisatie in een bepaalde Italiaanse, Franse of Spaanse regio, 'maar de bijzondere dingen overal vandaan.' Niet per se ergens vér vandaan: hij is net zo verrukt als ik over de lichte, op vurenhout gerookte ijsselmeerpaling van de Gebroeders Klooster in Enkhuizen. Ook al vermoedde Maarten dat Enhuizen óók wel in Groningen zou liggen, hij reed me er op mijn commando gewillig en zonder mankeren naar toe.

De tussenpersoon aan wie Maarten de voor mij bestemde hopscheutjes meegaf, moet ze zelf opgesmikkeld hebben. Wel is me op de een of andere manier de boodschap overgebracht dat 'Caulils Delicatessen' naar mijn hart zouden zijn. En óf ze dat waren - wie in de stad heeft zulke prachtig gekruide Toscaanse pancetta met een dikke rand wit spek, zonder bang te zijn dat sommige klanten spek dat nu eens níet mager is doodgriezelig zullen vinden?
Andersom was Maarten er meteen onverschrokken in om mijn grove boerenpaté te verkopen, evenals mijn preskop van varkenssnuit - wetend dat de woorden 'varkenslever' of 'snuit' mensen op de kast jaagt. Maar dan ligt bij Maarten toch mooi een hele poot (inclusief hoefje) van een Spaans Pata Negra varken te pronk.

Maarten heeft er erg om moeten lachen dat hij vorig jaar niet in de prijzen bleek te kunnen vallen in de competitie voor de Tien Beste Kaas- en Delicatessenwinkels. De juryleden vonden het maar niks dat er bij Caulils geen goedkope jonge Goudse in de aanbieding was, want dat hóórde zo in hun ogen, ze zijn van het elck-wat-wils principe. Jonge Goudse heeft nog helemaal geen smaak, vindt Maarten, en 'prijskopers' kunnen voor iets dat geen smaak heeft toch overal terecht? En smaak houdt per definitie in dat het nóóit voor alle monden is. 'Bij de supermarkt moet iedereen het lusten, en dáárom zijn alle smaken er zo vlak,' is Maartens analyse. Het kan geen proefondervindelijke analyse zijn, want ik geloof Maarten onvoorwaardelijk als hij zegt dat hij nog nooit bij Albert Heijn is geweest. 'Wat zou ik er te zoeken hebben?' vraagt hij onschuldig - hij is daar oprecht niet hautain in.
'Mijn winkel is inderdaad niet voor iedereen,' vindt Maarten, 'De dingen die ik verkoop zijn kostbaar, en niet iedereen kan begrijpen waarom ze dat zijn, maar dat hoeft ook niet. Omdat ik hoge eisen stel aan mijn spullen, me erin verdiep, kan ik overtuigend zijn en toch genoeg klanten nóg een keer over de drempel lokken. Over de prijs van zijn, drie tot vijf jaar gerijpte Hollandse boerenkazen neemt hij zelf, samen met zijn halftime compagnon Huib van der Lugt, een tegendraads standpunt in: dat die hoger zou moeten zijn omdat de kaasboeren en -boerinnen er te weinig voor durven vragen. Nu ligt de prijs van Hollandse kaas structureel vijftig procent lager dan van anonieme buitenlandse fabriekskaasjes, en dat zou even 'structureel' andersom moeten zijn - niet alleen omdat de kosten voor het maken van boerenzuivel in Nederland extreem veel hoger zijn dan in Frankrijk of Italië, maar ook omdat het zou helpen om er meer waarde aan te hechten.
Zoveel hij kan ('nog veel te weinig') gaat Maarten kijken bij de boeren die de kazen maken die hij verkoopt. 'Als je de koeien van Jan Dirk van der Voort, die de Olde Remeker-kazen maakt, hebt gezien en geaaid, snap je er veel meer van, en ben je veel overtuigender met je verhaal. Als mijn eigen vrienden meelijden met me hebben omdat ik zo weinig sociaal leven heb, en zo weinig vrije tijd, vergelijk ik mezelf met die boeren. Een boer telt ook zijn uren niet zo precies. Voor mij is mijn winkel een feest om te doen, het is de manier van leven die ik gekozen hebt.'

Diny's Terrine de Campagne van Baambrugs big met korenwijn, Preskop, Persillé de Bourgogne en Rillettes d'Oie de Spijkerboor, kunt u kopen bij:

  • Caulils, Haarlemmerstraat 115, Amsterdam, www.caulils.com
  • De terrine de campagne ook bij Frank's Smoke House, Witten- burgergracht 303, Amsterdam
  • bij Erik's Delicatessen, Beukenplein 16, Amsterdam
  • Vanaf half november is er ook verkoop van deze producten op de publiekszaterdagen van Lindenhoff, Baambrugge, Rijksstraatweg 2 in Baambrugge
  • De terrine de campagne staat op de kaart bij Lloyd Hotel, Oostelijke Handelskade 34, Amsterdam en bij
  • Brasserie Pays-Bas, Gustav Mahlerplein 14, Amsterdam